< Terug naar overzicht

Aanvullende opzeggingsvergoeding: een voorwaardelijk recht?

De werkgever die een te korte opzeggingstermijn betekent, draagt hiervan de (financiële) gevolgen: de werknemer kan in dat geval aanspraak maken op een ‘aanvullende opzeggingsvergoeding’. Is deze aanvullende opzeggingsvergoeding in alle gevallen vers

De zaak betrof een vordering van een ontslagen bediende, die meende recht te hebben op een aanvullende opzeggingsvergoeding van 3 maanden loon. De bediende werd ontslagen met een opzeggingstermijn van 6 maanden, maar vond dat dit 9 maanden had moeten zijn.

Niettemin betekende de bediende enkele weken later een tegenopzeg, waardoor zij zelf voortijdig, tijdens de (nog lopende) opzeggingstermijn, een einde heeft gesteld aan haar arbeidsovereenkomst. Ondanks haar tegenopzeg, vorderde ze een aanvullende opzeggingsvergoeding.

Tegenstrijdige houding?


De werkgever kon zich niet verzoenen met de (volgens hem) tegenstrijdige houding van de bediende. De bediende hield op haar beurt voet bij stuk: ze stelde dat haar recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding was ontstaan op het ogenblik van de betekening van de te korte opzeggingstermijn, zodat eventuele latere gebeurtenissen hieraan geen afbreuk doen.

De arbeidsrechtbank onderzocht deze discussie, in het licht van de rechtspraak van het Hof van Cassatie. De rechtbank verwees in eerste instantie naar de ‘gevestigde cassatierechtspraak’ in dit verband, waaruit volgt dat het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding ontstaat op het ogenblik van de betekening van de te korte opzeggingstermijn.

Het Hof van Cassatie bevestigde ook het principe dat het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding niet kan worden beïnvloed door latere gebeurtenissen. De arbeidsrechtbank verwees vervolgens echter naar twee recentere cassatiearresten (van 2007 en 2009), waarbij het Hof een wending lijkt te geven aan haar eerdere rechtspraak, door te oordelen dat het recht op een aanvullende vergoeding teniet gaat door dezelfde redenen, waardoor het recht op de opzegging zelf teniet gaat.

In beide arresten ging het om een bediende die werd opgezegd met een te korte opzeggingstermijn, waarna deze (terecht) om dringende reden werd ontslagen. Volgens het Hof van Cassatie deed dit ontslag om dringende reden het recht van de werknemer op een aanvullende opzeggingsvergoeding teniet.

Tot de opzeggingstermijn verstrijkt?


De arbeidsrechtbank voegde hieraan toe dat deze cassatierechtspraak tegenstrijdig lijkt, tenzij men ervan uitgaat dat het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding een ‘voorwaardelijk’ recht is. De ‘voorwaarde’ waaraan dit recht is gekoppeld, is dat de arbeidsovereenkomst effectief blijft voortbestaan tot de betekende opzeggingstermijn verstrijkt.

De arbeidsrechtbank gaf de bediende in deze zaak dus ongelijk: doordat ze een tegenopzeg heeft betekend, kwam er voortijdig een einde aan haar arbeidsovereenkomst, waardoor haar recht op een aanvullende opzeggingsvergoedng teniet werd gedaan.

Tegenstrijdig?


We zijn benieuwd of de bediende hoger beroep zal aantekenen en, zo ja, of het arbeidshof dit standpunt zal volgen. Dit vonnis is immers moeilijk verzoenbaar met een (ander) cassatiearrest, waarbij het Hof oordeelde dat een ontslagen bediende zijn recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding behoudt, niettegenstaande het feit dat hij tijdens de opzeggingstermijn ten onrechte contractbreuk had ingeroepen.
Misschien moet ons hoogste Hof nogmaals (proberen) klaarheid (te) scheppen…

Arbeidsrechtbank Kortrijk, 12 januari 2010, J.T.T. 7/2010, 109.

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen