< Terug naar overzicht

Aansprakelijkheid van de werknemer: geen evidente zaak

De aansprakelijkheid van de werknemer voor fouten, begaan tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, is uitdrukkelijk geregeld in de Arbeidsovereenkomstenwet (AOW). De wetgever heeft deze aansprakelijkheid doelbewust beperkt, met dien verstande

De zaak handelt over een werknemer die op weg was met zijn firmawagen, maar die blijkbaar een brandend lampje in het dashboard van de firmawagen heeft genegeerd. In plaats van te stoppen, is de werknemer verder gereden tot wanneer de firmawagen volledig is vastgelopen. Enkele dagen later heeft de werknemer zelf zijn ontslag gegeven.

Ná de uitdiensttreding van de werknemer werden er gesprekken gevoerd, die er uiteindelijk hebben toe geleid dat de werknemer een schriftelijke verklaring heeft ondertekend, waarin hij erkende dat hij verantwoordelijk was voor de schade aan de firmawagen en waarin hij verklaarde dat hij de herstellingskosten integraal zou vergoeden.

Toen de werkgever de herstellingskosten – ongeveer 6000 euro – wilde verhalen op de werknemer, weigerde deze echter om de factuur te betalen. De werknemer beweerde dat de werkgever zich niet kon beroepen op de ondertekende verklaring, omdat deze in strijd is met de bepalingen van artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Artikel 18 bepaalt dat een werknemer slechts aansprakelijk kan worden gesteld voor zijn fouten tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, wanneer er sprake is van (1) bedrog, (2) een zware fout of (3) een gebruikelijke lichte fout.

Het arbeidshof in Luik diende dus te onderzoeken of de werknemer rechtsgeldig afstand had gedaan van de bescherming die hem werd geboden door de wettelijke aansprakelijkheidsregeling. Het arbeidshof benadrukte dat deze wettelijke regeling van dwingend recht is. Dit betekent dat de partij die door deze bepalingen wordt beschermd (d.i. de werknemer), hiervan niet op voorhand afstand kan doen. Eens deze bepalingen echter hun dwingend karakter hebben verloren, kan de beschermde partij er wél rechtsgeldig afstand van doen. De moeilijkheid is dus te achterhalen vanaf wanneer de wettelijke bepalingen hun dwingend karakter verliezen.

Volgens de werkgever was de werknemer, op het ogenblik van de ondertekening van de verklaring, vrij om afstand te doen van de wettelijke aansprakelijkheidsregeling omdat er, op dat ogenblik, al een eind was gekomen aan zijn arbeidsovereenkomst, zodat de bescherming van de wettelijke regeling niet langer imperatief was.

Het arbeidshof in Luik volgde deze redenering niet. Volgens het arbeidshof kan de ondertekende verklaring niet worden ingeroepen om de herstellingskosten aan de firmawagen op de werknemer te verhalen. Deze verklaring werd ondertekend, weliswaar ná het einde van de arbeidsovereenkomst, maar op een ogenblik dat de werknemer nog geen eindafrekening had ontvangen. Door het feit dat de werknemer nog een belangrijke betaling verwachtte van zijn voormalige werkgever, bevond hij zich nog steeds in een afhankelijke positie ten aanzien van de werkgever, zodat de wettelijke aansprakelijkheidsregeling haar imperatief karakter behoudt. Pas ná de vereffening van de eindafrekening hebben deze wettelijke bepalingen hun dwingend karakter verloren. Het arbeidshof in Luik beschouwde de ondertekende verklaring van de werknemer dan ook als nietig.


(Arbeidshof Luik, 20 april 2005, 5de Kamer, AR nr. 32.357/04)

images
images

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen