< Terug naar overzicht

A1-formulier toch geen bescherming tegen Dimona-verplichting bij schijnzelfstandigheid?

Slechts bij aangetoonde fraude en na het mislukken van de dialoogprocedure tussen de verschillende lidstaten, kan een A1-formulier door de rechter van de ontvangende lidstaat (en dus niet door de RSZ op eigen initiatief) naast zich worden neergelegd. Of toch niet?

Er is de jongste maanden heel wat inkt gevloeid over de juridische waarde van een A1-formulier. Eerder bespraken wij in deze rubriek de recente rechtspraak hierover van het Hof van Justitie, dat de bindende waarde van het A1-formulier tot drie keer toe heeft beklemtoond in zijn arresten A-Rosa Flussschiff, Altun en Alpenrind. Slechts bij aangetoonde fraude en na het mislukken van de dialoogprocedure tussen de verschillende lidstaten, kan een A1-formulier door de rechter van de ontvangende lidstaat (en dus niet door de RSZ op eigen initiatief) naast zich neer worden gelegd.

Maar die arresten gaan enkel over de waarde van het A1-formulier vanuit het perspectief van de sociale zekerheid (dus voor het beantwoorden van de vraag waar een werkgever sociale bijdragen moet betalen). Het formulier wordt immers afgeleverd op grond van de Europese coördinatieregels omtrent sociale zekerheid bij gevallen van internationale tewerkstelling, en heeft als dusdanig geen betrekking op het arbeidsrecht en de bestraffing van inbreuken daarop. De grenzen tussen het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht zijn echter niet altijd even gemakkelijk te trekken, wat onverwachte gevolgen kan hebben voor de werkgever. Ook de rechtspraak is verdeeld over de vraag waar die grenzen precies liggen, zo blijkt uit een recent arrest van het Gentse Hof van Beroep dat ingaat tegen eerdere rechtspraak van het Hof van Cassatie.

Het Hof moest zich uitspreken over een correctionele zaak waar er sprake was van schijnzelfstandigheid in de Belgische samenwerking tussen een Belgisch bouwbedrijf en Slowaakse ‘zelfstandige’ onderaannemers. Het Hof van Beroep stelt in het arrest eerst vast dat de Slowaken hun arbeidsprestaties onder gezag van de Belgische vennootschap uitoefenden als gewone bouwvakkers, zonder een eigen onderneming uit te baten en zonder enige economische of financiële investering te hebben verricht, noch enige beslissingsmacht te hebben in het aankoop- of verkoopbeleid van de Belgische vennootschap. Zij waren dus te beschouwen als ‘werknemers’ van die Belgische vennootschap, waarvoor een Dimona-aangifte moest gedaan worden en waarvoor individuele rekeningen moesten opgesteld worden. Gezien aan geen van beide verplichtingen voldaan was, werd de Belgische ‘werkgever’ veroordeeld tot betaling van een fikse geldboete.

Bijzonder aan deze zaak was echter dat de Slowaakse schijnzelfstandigen beschikten over A1-formulieren, afgeleverd door de Slowaakse autoriteiten, die bevestigden dat zij onderworpen waren aan de Slowaakse sociale zekerheid als zelfstandigen. De Belgische ‘werkgever’ had zich dan ook verweerd tegen de tenlasteleggingen door te stellen dat de verplichting tot het doen van een Dimona-aangifte enkel van toepassing kan zijn op personen die onder de Belgische sociale zekerheid voor werknemers vallen. Omdat zij over Slowaakse A1-formulieren beschikten, die niet waren ingetrokken door de Slowaakse autoriteiten, kon de Belgische ‘werkgever’ niet veroordeeld worden voor het gebrek aan Dimona-aangifte, aldus het verweer van de ‘werkgever’. Daarbij werd expliciet verwezen naar een relatief recent arrest van het Hof van Cassatie uit 2016, waar werd geoordeeld dat de Dimona-verplichtingen niet van toepassing kunnen zijn op werknemers die over een A1-formulier uit een andere lidstaat van de Europese Unie beschikken.

Het Gentse Hof van Beroep had echter geen oren naar dat verweer en wees de stelling van de ‘werkgever’ uitdrukkelijk af. Het besliste dat de Dimona-regelgeving niet enkel betrekking heeft op de sociale zekerheid, maar als controle-instrument voor de sociale inspectie minstens gedeeltelijk ook tot het sociaal strafrecht behoort. Met andere woorden: voor personen die arbeidsrechtelijk als werknemer beschouwd moeten worden, moet volgens het Hof van Beroep altijd een Dimona-aangifte gebeuren (indien er geen uitzondering van toepassing is), ook al worden zij volgens socialezekerheidsrecht als zelfstandigen beschouwd. Bovendien was er hier volgens het Hof sprake van een frauduleuze constructie, zodat de A1-formulieren hoe dan ook geen rechtskracht hadden.

Met dit arrest gaat het Hof van Beroep van Gent dus lijnrecht in tegen het eerdere arrest van het Hof van Cassatie uit 2016, zodat het niet zeker is of deze rechtspraak zal standhouden. Anderzijds biedt het Altun-arrest van het Hof van Justitie wel enige houvast om in gevallen van door een rechtbank vastgestelde fraude, geen rekening te houden met de A1-verklaring. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Martijn Baert

Advocaat Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen