< Terug naar overzicht

Zin en onzin van het concurrentiebeding

Er wordt te kwistig en nonchalant omgesprongen met het concurrentiebeding. Een werkgever moet goed uitdokteren of het beding wel zinvol is. Zoniet kan de beoogde bescherming als een boemerang terugkeren en hem met nutteloze kosten opzadelen.

Aangezien de werknemer na de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst zijn concurrentiële vrijheid herneemt, kan het raadzaam zijn om die vrijheid vooraf enigszins te beknotten door de inlassing van een concurrentiebeding. Bij gebrek aan zo’n inlassing staat het de ex-werknemer immers vrij om zijn vroegere werkgever op ongebreidelde wijze te beconcurreren, hetzij door indiensttreding bij een concurrent, hetzij door het opstarten van een eigen activiteit. Alleen oneerlijke concurrentie kan dan gesanctioneerd worden.
Vooral in sectoren waar de concurrentiestrijd bijzonder hevig is, wordt bij de aanwerving van een werknemer vaak een concurrentiebeding opgesteld. Dan verbindt de werknemer er zich tegen ontvangst van een concurrentievergoeding toe zijn werkgever geen concurrentie aan te doen na het einde van de arbeidsovereenkomst. Doet hij dat toch, dan moet hij de werkgever de concurrentievergoeding die hij ontvangen heeft, terugstorten. Daarenboven moet hij aan de werkgever een gelijkwaardig bedrag betalen (een bedrag dat verminderd of verhoogd kan worden door de rechtbank).
Vaak wordt gebruik gemaakt van een standaard concurrentiebeding dat de facto deel uitmaakt van elke arbeidsovereenkomst. Los van het feit dat zo’n type-concurrentiebeding in vele gevallen ongeldig is, creëert zo’n beding een financieel risico voor de werkgever. Niet zelden is hij zich daar niet eens van bewust.
Met een korte toelichting van de bestaans-, geldigheids- en uitwerkingsvoorwaarden verduidelijken we het nut van het concurrentiebeding. Hierbij wordt alleen het klassieke concurrentiebeding voor bedienden en handelsvertegenwoordigers toegelicht (en dus niet het afwijkende concurrentiebeding).

1. Bestaans- en geldigheidsvoorwaarden

a) Bestaansvoorwaarde (artikel 65, par.2, al. 1 Arbeidsovereenkomstenwet 3 juli 1978)

Opdat het concurrentiebeding van een bediende als bestaande wordt beschouwd, moet hij een minimum jaarbezoldiging van 25.921 euro bruto (in 2003) genieten.
Een concurrentiebeding voor de werknemer die minder dan 51.842 euro bruto (in 2003) verdient, is alleen geldig voor zover deze mogelijkheid uitdrukkelijk bij CAO wordt voorzien. Aangezien enkel de sector van het hotelwezen zo’n mogelijkheid biedt, is het concurrentiebeding voor bedienden de facto enkel geldig vanaf de jaarloongrens van 51.842 euro bruto (in 2003).
Voor handelsvertegenwoordigers is het concurrentiebeding geldig zodra deze een jaarbezoldiging van 25.921 euro bruto (in 2003) verdient (artikel 104 Arbeidsovereenkomstenwet 3 juli 1978, eerste alinea).

b) Geldigheidsvoorwaarden (artikel 65, par. 2 t.e.m. 5 Arbeidsovereenkomstenwet 3 juli 1978)

b.1 Geschrift

Het concurrentiebeding moet schriftelijk vastgelegd zijn.

b.2 Soortgelijke activiteiten bij concurrent

Het concurrentiebeding moet betrekking hebben op soortgelijke activiteiten. Het concurrentiebeding dat elke activiteit bij een concurrerende werkgever verbiedt, wordt bijgevolg als nietig beschouwd.

b.3 Beperking in de ruimte

Het concurrentiebeding moet beperkt worden tot de plaatsen waar de werknemer de werkgever daadwerkelijke concurrentie kan aandoen, gelet op de aard van de onderneming en haar actieradius, waarbij het verbod in geen geval verder mag reiken dan het Belgische grondgebied.
Een uitzondering hierop vormt de handelsvertegenwoordiger op wie de begrenzing tot het Belgische grondgebied niet van toepassing is (artikel 104, alinea 2 Arbeidsovereenkomstenwet 3 juli 1978).

b.4 Beperking in de tijd

Het concurrentiebeding moet ook in de tijd worden beperkt. Het mag ten hoogste één jaar bedragen vanaf de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

b.5 Eenmalige forfaitaire vergoeding

Het concurrentiebeding moet voorzien in de betaling van een enige en forfaitaire compensatievergoeding door de werkgever. Die vergoeding moet op zijn minst gelijk zijn aan de helft van het brutoloon dat overeenstemt met de toepassingsduur van het beding.
Die vergoeding zal echter niet verschuldigd zijn indien de werkgever binnen een termijn van 15 dagen, te rekenen vanaf het ogenblik van de stopzetting van de arbeidsovereenkomst, afziet van de toepassing van het beding.
Voor de handelsvertegenwoordiger geldt hier opnieuw een afwijking: er moet niet voorzien worden in de betaling van een concurrentievergoeding. Daarentegen kan er wel overeengekomen worden dat de handelsvertegenwoordiger een welbepaalde vergoeding betaalt in geval van schending van het concurrentiebeding. Die vergoeding zal echter in geen geval meer mogen bedragen dan drie maanden loon (artikel 106 Arbeidsovereenkomstenwet 3 juli 1978).
Wel creëert het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst van de handelsvertegenwoordiger (in toepassing van artikel 105 van de Arbeidsovereenkomstenwet) een vermoeden van aanbreng van cliënteel, wat aanleiding kan geven tot een uitwinningsvergoeding.

2. Sanctie bij schending van de bestaans- en geldigheidsvoorwaarden

Als aan één van de bestaans- of geldigheidsvoorwaarden niet is voldaan, is het concurrentiebeding nietig. Het gaat evenwel slechts om een relatieve nietigheid en dit ten voordele van de werknemer. Het hof van Cassatie bevestigde dit onlangs nogmaals (Cass., 30 juni 2003, onuitg., S.02.0098.F/9).
In geval van nietigheid kan alleen de werknemer zich hierop beroepen, zonder daartoe evenwel verplicht te zijn. De werknemer heeft dus de keuze om al dan niet de nietigheid van het concurrentiebeding aan te wenden, althans als niet voldaan is aan de bestaans- of geldigheidsvoorwaarden:

Indien de werknemer ervoor opteert om een concurrerende activiteit te starten, dan wel in dienst te treden van de concurrentie, roept hij de nietigheid van het concurrentiebeding in: zo kan hij zijn ex-werkgever vrij beconcurreren, terwijl die als gevolg van de nietigheid over geen enkel middel beschikt om dit te verbieden.

Indien hij zijn werkgever geen concurrentie wenst aan te doen, zal hij de nietigheid niet inroepen (en het concurrentiebeding bijgevolg als geldig beschouwen): in dit geval kan hij zonder meer de betaling van de concurrentievergoeding opeisen, terwijl hij niet eens van plan was om zijn werkgever te beconcurreren (of, indien het een handelsvertegenwoordiger betreft, het voordeel betreffende de aanbreng van cliënteel voor de uitwinningsvergoeding inroepen, ook al heeft het concurrentiebeding geen uitwerking).



3. Uitwerking

Indien het concurrentiebeding voldoet aan alle geldigheidsvereisten, zal dit (zowel voor bedienden als voor handelsvertegenwoordigers) geen uitwerking hebben in de volgende welbepaalde hypothesen (artikel 65, par. 9 en artikel 104, alinea 3 Arbeidsovereenkomstenwet 3 juli 1978):

tijdens de proefperiode
bij beëindiging door de werkgever zonder dringende reden
bij beëindiging door de werknemer wegens dringende reden


4. Nut

Vaak wordt automatisch en zonder onderscheid een concurrentiebeding opgesteld voor alle bedienden van de onderneming, zonder acht te slaan op het feit dat het concurrentiebeding voor een groot deel van de werknemers als onbestaande zal worden beschouwd als ze een jaarbezolding lager dan 51.842 euro bruto (in 2003) genieten.
Indien de kersverse arbeidskracht de door de wet vereiste brutobezoldiging verdient, ressorteert het concurrentiebeding veelal nog geen effect, omdat lang niet altijd voldaan wordt aan de overige geldigheidsvoorwaarden (zoals de beperking van het verbod tot het grondgebied België).
Bovendien kent een concurrentiebeding dat niet voldoet aan de bestaans- en/of geldigheidsvereisten, alleen een relatieve nietigheid en dit ten voordele van de werknemer. Dat kan er dan ook toe leiden dat de werknemer vrijgepleit wordt van elke niet-concurrentieverplichting, terwijl de werkgever hierop machteloos moet toezien. Maar de werknemer die niet aan de slag gaat bij de concurrentie, kan zijn concurrentievergoeding opeisen.
Zelfs bij een geldig concurrentiebeding loopt de werkgever het risico dat de forfaitaire vergoeding nodeloos verschuldigd zal zijn. Als de werknemer niet naar de concurrentie overstapt, heeft de werkgever immers geen belang meer bij de toepassing van het concurrentiebeding, maar zal die op dat ogenblik veelal over het hoofd zien om afstand te doen van het concurrentiebeding. Als er geen afstand wordt gedaan binnen de strikte verzakingstermijn van 15 dagen, blijft de concurrentievergoeding ook in dat geval integraal verschuldigd.
Ondertussen is het duidelijk dat een concurrentiebeding best lang niet voor elke bediende opgesteld wordt. Voor handelsvertegenwoordigers is de inlassing van een concurrentiebeding daarentegen dikwijls veeleer aangewezen en bovendien ook veel minder risicovol.

Lees meer over

Geef als eerste een reactie

Om reacties te kunnen geven moet u inloggen
< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen