< Terug naar overzicht

Wat wil de vakbond in uw bedrijf?

Wat willen de vakbonden in uw bedrijf en hoe streven ze dat vandaag na? Etienne Arcq (CRISP) schetst de Belgische vakbondswerking.

nr5
Etienne Arcq (CRISP): “Belgische HR-managers die werken voor een bedrijf met buitenlandse hoofdzetel, klagen vaak over het feit dat ze hun directie maar moeilijk kunnen uitleggen hoe het Belgisch syndicaal overleg in elkaar steekt.”
Etienne Arcq (CRISP)
Hendrik De Schrijver


De Belgische syndicalisatiegraad is, zeker in vergelijking met de buurlanden, altijd opvallend hoog geweest. De jongste tien jaar schommelt de algemene syndicalisatiegraad tussen 75% en 77%. Dat algemene cijfer verbergt evenwel grote verschillen. Bij de arbeiders situeert de syndicalisatiegraad zich tussen 95% en 100%. Bij de bedienden ligt de syndicalisatiegraad rond 40%, bij de ambtenaren rond 60%. Van de werklozen is tussen de 85% en 88% lid van een vakbond. Ter vergelijking: Frankrijk heeft een syndicalisatiegraad van nog geen 15%.
Licht Etienne Arcq van het Centre de Recherche et d’Information Socio-Politiques (CRISP) in Brussel toe: “De hoge syndicalisatiegraad in België is deels te verklaren door het feit dat vakbonden in ons land in zekere zin een soort openbare dienst zijn. Het zijn namelijk de vakbonden die de werkloosheidsuitkeringen uitbetalen – de meeste dan toch – en dat is een vrij uniek gegeven. In Europa komt dat nergens anders voor. Zo’n systeem zorgt meteen ook voor een veel grotere binding van de aangeslotene met zijn syndicaat. Een vakbond doet trouwens veel meer: hij betaalt ook de prepensioenen, verleent rechtsbijstand,… Dat geeft de werknemer een gevoel van veiligheid. Maar zelfs zonder de werklozen en de gepensioneerden kom je nog aan een syndicalisatiegraad van net geen 60%. Dat betekent nog altijd bijzonder veel.”

“De hoge syndicalisatiegraad in België is deels te verklaren door het feit dat vakbonden hier in zekere zin een soort openbare dienst zijn.”

Om te begrijpen hoe de vakbonden in ons land geworden zijn tot wat ze nu zijn, moeten we 200 jaar terug in de tijd. De syndicaten ontstonden samen met de opkomst van de industriële revolutie. Vertelt Arcq: “Het begon in 1806 in Gent met de eerste maatschappij van onderlinge bijstand, 30 jaar later werden de eerste stakingskassen opgericht. De eerste schuchtere pogingen tot de oprichting van een vakbond dateren van eind jaren 1850. Pas op het eind van de negentiende eeuw kan van echte vakbonden gesproken worden, georganiseerd op nationaal niveau. Vanaf toen is de verwevenheid ontstaan tussen vakbonden en politiek. In geval van werkloosheid werden de leden betaald door de vakbond, maar de kas was natuurlijk vlug leeg. Vrij snel echter werden de werkloosheidskassen van de vakbonden gesubsidieerd. Zo is dat hier gegroeid. Pas vandaag proberen vakbonden en politiek zich schuchter wat onafhankelijker van elkaar op te stellen. De invloed van de vakbonden op het reilen en zeilen in de Belgische economie is er echter niet kleiner op geworden. Zo is het trouwens ook gegaan met de mutualiteiten, die eveneens gelieerd waren aan politieke partijen. Ook zij werden door de overheid gesubsidieerd. Er werd geen nationaal gezondheidsapparaat geïnstalleerd.”

ACV en CD&V: scheiding

Toch is de verzuiling van vandaag niet meer de verzuiling van gisteren. Ze bestaat nog, dat staat buiten kijf, maar ze speelt niet meer zo sterk. Al is de evolutie ervan niet parallel verlopen in beide landsgedeelten. Arcq: “In Wallonië is de verzuiling nog wat sterker, de politieke versnippering is in Vlaanderen veel groter. In Vlaanderen is de christen-democratische zuil veel machtiger dan in Wallonië, maar de partij zelf, de CD&V, heeft flink wat van haar pluimen verloren ten voordele van de VLD. Unizo, bijvoorbeeld, het voormalige NCMV, leunt tegenwoordig dichter aan bij de VLD dan bij de CD&V. Let wel, dat is geen officieel te volgen lijn, het is een ideologische benadering. Maar er staan minder Unizo-mensen op CD&V-lijsten dan op VLD-lijsten. Hoe dan ook is er een grotere afstand tussen partij en bevriende organisaties. Wanneer vroeger de christelijke vakbond ACV, bijvoorbeeld, een standpunt bekend wilde maken, werd vooraf de eerste minister geraadpleegd. De premier was vrijwel altijd een christen-democraat. Nu organiseert het ACV een forum met álle partijvoorzitters.”
Maar ook in Wallonië zijn de banden tussen partij en vakbond niet meer wat ze geweest zijn. Schetst Arcq: “De aanhang van de vroegere PSC, de CDH (Centre Démocrate Humaniste), is zodanig afgekalfd, dat het niet anders kan dan dat de CSC-leden nu in grote mate bij Ecolo en de PS terug te vinden zijn. Groot verschil met Vlaanderen is wel dat die scheiding in Wallonië officieel is. De MOC (Mouvement d’Ouvriers Chrétiens, de Waalse tegenhanger van het ACW) besliste al in 1972 om politiek pluralistisch te worden, om de PSC niet langer als bevoorrechte partner te zien. De CDH en de MOC hebben uiteraard nog voeling met elkaar, maar de situatie is niet te vergelijken met die in Vlaanderen.”

Eerst de vakbond raadplegen

In ons land zijn de syndicaten bijzonder sterk in het bedrijfsleven aanwezig. Er zijn syndicale delegaties, ondernemingsraden, comités voor preventie en bescherming op het werk… Arcq: “In de ons omringende landen moet de werkgever zich bij het nemen van beslissingen die het personeel aanbelangen aan een reglementering houden, maar hij hoeft de vakbonden niet te raadplegen. In ons land moeten de syndicaten altijd worden geraadpleegd. Neem nu uitzendarbeid. In België zijn de vakbonden tegen uitzendwerk gekant. Volgens hen wordt zo de werkzekerheid onderuit gehaald. Ze hebben het fenomeen uiteindelijk moeten aanvaarden, op voorwaarde dat ze sterke controle mochten uitvoeren. Het gevolg is dat uitzendwerk in ons land helemaal niet zo oninteressant is als bijvoorbeeld in Frankrijk. Een Belgische uitzendkracht geniet evenveel bescherming als een reguliere werknemer. Wanneer een werkgever een beroep wil doen op uitzendkrachten, moet hij zelfs eerst overleggen met de vakbond. De vakbond is een partner, zo u wil. Dat is eveneens het geval bij de introductie van nieuwe technologie. Dat heeft voor gevolg dat in ons land heel veel zaken gereglementeerd zijn via CAO’s en niet via een wet.”

Geen rechtspersoonlijkheid

“Hoofdafgevaardigden hebben veel macht en kunnen hun leden een goede bescherming bieden. Het is hun rol om te ijveren voor hun mensen, niet voor die van een fabriek aan de andere kant van het land.”

Een opmerkelijk verschil met de vakbonden in het buitenland is dat de Belgische vakbonden geen rechtspersoonlijkheid hebben. Dat heeft als voornaamste gevolg dat de overheid de rekeningen van de vakbonden niet kan controleren en dat de financiële reserves die worden opgebouwd met het lidgeld - en dus de syndicale macht – niet gekend zijn. Arcq: “Doorheen de jaren werd vanuit liberale hoek met de regelmaat van een klok het voorstel geformuleerd om de vakbonden een rechtspersoonlijkheid te geven. Zonder succes, uiteraard, want het ontbreken van de rechtspersoonlijkheid van de vakbonden is één van die Belgische onderwerpen die onaantastbaar zijn. Nu ja, in Groot-Brittannië werden de vakbonden ook geacht untouchable te zijn, maar voormalig premier Margaret Thatcher is er in de jaren tachtig toch maar in geslaagd daar verandering in te brengen. Bij ons hebben de vakbonden zich in het sociaal overleg meestal van hun verantwoordelijke kant laten zien. In de jaren tachtig heerste in bepaalde politieke hoeken nog een antisyndicale sfeer, maar dat is nu absoluut niet meer het geval. Het Belgisch patronaat en de Belgische politiek hebben begrepen dat het syndicalisme een nuttig instrument is voor het behoud van de sociale vrede. Een werkgever die de regels van de informatieverstrekking en de dialoog respecteert, zal merken dat via het syndicaat tot een vredevolle oplossing kan worden gekomen. Belgische HR-managers die werken voor een bedrijf met buitenlandse hoofdzetel, klagen vaak over het feit dat ze hun directie maar moeilijk kunnen uitleggen hoe het Belgisch syndicaal overleg in elkaar steekt. In het buitenland kennen ze de hier heersende regels niet, waardoor ze al eens de traditie van sociaal overleg durven bruuskeren.”
“Het interprofessioneel syndicalisme in de industrie is zelfs zeer nuttig voor de reglementering en de dialoog”, vindt Arcq. “Op bedrijfsniveau is de syndicale cultuur – zeker in Wallonië – nog steeds gebaseerd op controle en oppositie, veel minder op samenwerking. Dat verandert wel, want de meeste grote bedrijven worden óf gesloten óf gefilialiseerd, zodat de macht van de vakbonden sterk vermindert. De macht van het conflict die de vakbonden hadden, is sterk afgezwakt. Ze zijn wel nog altijd sterk in het afdwingen van sociale maatregelen bij een sluiting, maar dan wordt niet alleen onderhandeld met het bedrijf, maar ook met de overheid. Bij het faillissement van Sabena zijn én in Vlaanderen én in Wallonië én in Brussel reconversiecellen opgericht voor de Sabéniens. Daar hebben de overheden veel geld voor uitgetrokken. Faut le faire. Daarin zie je de werkelijke macht van de vakbonden.”

Mislukte vakbondscoup

“Filosofie of doctrine is iets voor tijdens de opleiding van syndicalisten. In de praktijk worden ideologie en doctrine meestal vergeten.”

Toch wegen de vakbonden nauwelijks of niet op de economische besluitvorming. Ze zijn er nog nooit in geslaagd te verhinderen dat een bedrijf sluit. Arcq: “Hooguit bekomen ze uitstel van executie. Terwijl het in de jaren veertig, vijftig de droom was van de vakbonden om wél op die economische besluitvorming te wegen. Daar zijn ze nooit in geslaagd. In die tijd waren er al holdings, maar slechts op nationaal niveau, buitenlandse invloed was er zo goed als niet. Men droomde ervan dat die holdings zouden participeren aan de planificatie. Nog in 1978 werd een wet gestemd waarin de holdings nog gelinkt werden aan een geleide economie. En omdat ook de syndicaten aan de geleide economie werden gelinkt, dacht men dat de vakbonden mee de economie zouden kunnen organiseren. Dat is uiteraard nooit gebeurd. En nu, in tijden van globalisering waarin de beslissingscentra zich nog zelden in België bevinden, zien de vakbonden zich verplicht zich over de gevolgen van de economische besluitvorming te buigen, veeleer dan een rol van betekenis te spelen in die besluitvorming.”

Mijn arbeiders eerst

De vakbonden kunnen zich toch net zo goed internationaal organiseren? Arcq: “Ze zijn altijd een oorlog te laat, maar ze komen. De Europese Commissie steunt het internationaal syndicalisme, de Europese syndicaten zelf zijn verenigd in het Europees Vakverbond. Die vereniging organiseert Europese ondernemingsraden, maar makkelijk is dat niet. Alleen al de kostprijs: zo’n vergadering kost honderdduizenden euro. Het is ook heel moeilijk om tot internationale solidariteit te komen. Spaanse of Duitse staalarbeiders schieten niet in actie omdat Arcelor heeft beslist Cockerill Sambre te sluiten. Zelfs tussen Walen en Vlamingen ligt het moeilijk. Het personeel van Sidmar was niet te bespeuren in de betogingen in Luik, terwijl ze toch ook deel uitmaken van Arcelor. Meer zelfs, er heerst concurrentie. De arbeiders van Cockerill wilden hun werk niet door Sidmar uitgevoerd zien. Er is zelfs concurrentie tussen Luik en Charleroi. Laat het ons dus niet te gauw over internationale solidariteit hebben.”
Vraag is of die concurrentie door de vakbonden zelf georganiseerd of in stand gehouden wordt. Meent Arcq: “Voor de syndicaal afgevaardigden in de lokale bedrijven is die concurrentie een tweede natuur. Dat zijn kleine opperhoofden. Hoofdafgevaardigden hebben veel macht en kunnen hun leden een goede bescherming bieden. Het is hun rol om te ijveren voor hun mensen, niet voor die van een fabriek aan de andere kant van het land. Vergelijk het met een burgemeester die het bericht krijgt dat op zijn grondgebied een nucleaire centrale zal worden gebouwd. Die zal, tot welke partij hij ook moge behoren, er alles aan doen om dat te verhinderen, ook al werd de beslissing genomen door een minister-partijgenoot.”

Verschillen tussen de vakbonden

Hebben de (hoofd)afgevaardigden te veel macht? Arcq: “In de geschiedenis van het syndicalisme zien we dat, op een bepaald moment, de dominante ideologie bij de socialistische vakbond de revolutie was. Men wou, via de klassenstrijd, alles nationaliseren: de industrie, de banken, de verzekeringen, de energievoorziening. In die optiek werd de werkgever beschouwd als de vijand en die zou verdwijnen. We zijn niet die richting uitgegaan, wel integendeel, maar in de syndicale cultuur van de jaren vijftig en zestig leefde de idee dat de vakbonden een economische tegenmacht konden en moesten vormen. Dus niet alleen op sociaal vlak. Die doctrine bestaat vandaag nog. Nog steeds zit ze in de syndicale opleidingen verweven. Althans, bij de socialistische vakbond. Dat maakt dat nogal wat afgevaardigden permanent wantrouwig zijn en dat ook laten voelen. In die zin hebben ze veel macht, ja. Bij het ACV ligt de klemtoon veel meer op sociaal overleg, niet op het model van de arbeiderscontrole. Maar er is natuurlijk wel een groot verschil in cultuur tussen de interprofessionele top en de afgevaardigden in grote bedrijven.”

“De invloed van de vakbonden op het reilen en zeilen in de Belgische economie is er niet kleiner op geworden.”

Zijn de ideologische verschillen tussen ABVV, ACV en ACLVB nog steeds even groot? Arcq: “Filosofie of doctrine is iets voor tijdens de opleidingen van debuterende syndicalisten. In de praktijk worden ideologie en doctrine meestal vergeten. In een sociaal conflict staan vakbonden en directie tegenover elkaar, daar verdedigt dé vakbond dé werknemer. De ideologie dient vooral om zich een beeld aan te meten en ook wel voor de interne cohesie. Ook daarin is er evolutie. Steeds meer is het ABVV een vakbond van medewerking en participatie, veel meer dan van de klassenstrijd als motor van de syndicale actie. Het ACV is altijd een vakbond van dialoog en overleg geweest. Maar op bedrijfsniveau trekken de bonden – wanneer een directie dreigt met een sluiting bijvoorbeeld – meestal aan één zeel. Al zijn ook daar verschillen waar te nemen. Het ABVV zal een beslissing tot sluiting vaak als illegitiem beschouwen. In dat scenario is de werkgever verantwoordelijk voor alle gevolgen. De christelijke vakbond zal de logica die achter de beslissing tot sluiting zit, proberen te begrijpen en die aan zijn achterban proberen uit te leggen. Tijdens de onderhandelingen zal het ACV dan ook zoveel mogelijk uit de brand proberen te slepen, maar hij zal begrijpender zijn ten overstaan van de economische logica. Vergeet niet dat de eerste christelijke bonden werden opgericht door priesters. De arbeiders gingen niet naar de mis, dus moest de godsdienst hen op een andere manier worden bijgebracht. Heel snel echter hebben de christelijke arbeiders ingezien dat die werkwijze niet volstond, dat ze net als de socialisten de rechten van de arbeiders moesten verdedigen. In het begin was het christelijk syndicalisme dus helemaal geen syndicalisme van oppositie voeren. De pauselijke encycliek Rerum Novarum uit 1891 stelt expliciet dat de officiële doctrine van de kerk niet de klassenstrijd is, maar de verstandhouding. De strijd, de oppositie is er nu meer dan toen, terwijl bij de socialisten het omgekeerde is gebeurd. ACV en ABVV zijn naar elkaar toe gegroeid.”
En de liberalen? Arcq: “Het ACLVB staat niet ver van het ACV af, maar vormt toch een verhaal apart. De liberale bond had net zo goed opgericht kunnen zijn door het patronaat, ter bevordering van de verstandhouding tussen werkgevers en werknemers. Maar als puntje bij paaltje komt, kiest het ACLVB duidelijk voor de werknemer, zij aan zij met de andere bonden. Het is per slot van rekening een vakbond.”

Lees meer over

Geef als eerste een reactie

Om reacties te kunnen geven moet u inloggen
< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen