< Terug naar overzicht

Sociaal overleg en arbeidsrelaties: verkeerde uitgangspunten?

De November Conference over arbeidsrelaties, eind november, vertrekt van verkeerde uitgangspunten. Bij de behandeling van de drie thema’s komen slechts twee partijen in beeld, werkgevers en werknemers. Bovendien ligt de klemtoon op de tegenstelling tussen deze twee partijen. Tenminste, dit is wat handels- en bedrijfseconomisch ingenieur André Bequé ervan vindt. We publiceren graag zijn commentaar en voorstellen, in twee afleveringen.

“De November Conference behandelt drie heel interessante thema's rond het sociaal overleg en de sociale relatie tussen werkgevers en werknemers. Bij de eerste twee ligt het accent op
de tegenstelling tussen werkgevers en werknemers, bij het derde thema wordt enigszins twijfelend ook aandacht besteed aan de partnerrelatie tussen die beide groepen. Bij alle drie de thema's komen echter expliciet of impliciet slechts twee partijen of entiteitengroepen in beeld: werkgevers en werknemers.

Sociaal overleg houden met de beperkende visie dat werkgevers slechts met tegengestelde belangen tegenover werknemers staan, doet de werkelijkheid op minstens twee manieren geweld aan en is nefast voor dat overleg omdat de sociaal-economische omstandigheden helemaal gewijzigd zijn in vergelijking met de toestand bij het sociaal contract van kort na de Tweede Wereldoorlog. Toen waren werkgevers en werknemers wél nog de belangrijkste entiteitengroepen en hadden ze overwegend specifieke eigen rollen en belangen te verdedigen.

De eerste manier waarop de werkelijkheid geweld wordt aangedaan is de beperking van het overleg tot de entiteitengroepen werkgevers en werknemers. Tussen haakjes: de traditie om werkgevers gewoonlijk voor werknemers te plaatsen als ze samen worden vernoemd, steunt op een verondersteld maar nooit bewezen en niet te argumenteren primordiaal belang van de bedrijven in het economisch gebeuren. Het zijn weliswaar deze twee groepen die bij sociaal overleg samen aan tafel zitten, maar de vertegenwoordigers van de overheid en de financiële sector ontbreken. Niet als werkgevers, maar in de rollen die zij te vervullen hebben voor respectievelijk de sociale zekerheid en belastingen, en de kredietverstrekking. Bij het sociaal overleg wordt ongetwijfeld geregeld met die twee spelers (entiteitengroepen) en hun rollen rekening gehouden, maar doorgaans slechts dan wanneer men vaststelt dat men keuzes maakt en beslissingen wil nemen die heel duidelijk ook op het terrein van de afwezige entiteitengroepen betrekking hebben.

De tweede manier waarop de werkelijkheid geweld wordt aangedaan slaat op het feit dat werknemers en werkgevers ook gelijklopende belangen hebben, onder andere via economische activiteit (winststreven) en beleggingen, die op korte of lange termijn mede de onderhandelingen beïnvloeden.

Bij de onderhandelingen nemen werkgevers doorgaans een combinatie van twee standpunten in: het belang van de productie-entiteit en de belangen van de eigenaars/beleggers. Wanneer de dividenden en/of de koersevolutie niet in het gedrang komen, dan leggen zij de nadruk op kostenaspecten, winstmarges en competitiviteit. In de andere gevallen wordt vooral de “noodzaak” van het veiligstellen van de belangen van de (in het overleg afwezige) beleggers
ingeroepen. Het betrekken van een derde afwezige stakeholder in de discussies belemmert veelal elke zinnige discussie, want beleggers bepalen hun standpunt pas achteraf en niet over concrete keuzes, maar slechts over het periodieke resultaat.

Productie-entiteiten worden doorgaans ook belangrijker geacht dan de werknemers voor de economische activiteit maar in feite bestaan zij slechts dankzij de consumenten/werknemers. Het verschil in onderhandelingsgewicht wordt gemaakt door het feit dat de werkgevers de gecombineerde belangen van de productie-entiteit én van de eigenaars/beleggers vertegenwoordigen, terwijl de belangen van de andere belangenhebbers - werknemers, klanten, leveranciers - slechts in verdeelde orde (vakbonden, consumentenverenigingen, leveranciersgroeperingen) en niet gelijktijdig aan bod (kunnen) komen. Klanten (via hun consumentenverenigingen) en leveranciers (via hun eventuele groeperingen) zitten echter nooit aan de onderhandelingstafel. Daardoor spreken de werkgevers dikwijls in naam van die groepen, terwijl het natuurlijk onmogelijk is om bij elke overlegronde de geactualiseerde of terzake doende standpunten van die groepen te kennen.

Het is in elk geval duidelijk dat de partijen die aan de tafel zitten, onderhandelen over de belangen van meer belangengroepen dan de twee die aanwezig zijn. In een langzaam evoluerende economische omgeving was dat nog werkbaar, maar in een wereldwijde omgeving met berichtgeving tegen internetsnelheid en de mogelijkheid van massale en grondige reacties binnen een etmaal kan terecht de vraag worden gesteld of geen andere
overlegformules moeten worden bedacht.”

(Vervolg in de volgende editie van dit e-zine: voorstel van een alternatief overlegmodel dat rekening houdt met de complexe realiteit van de economische samenleving.)

Lees meer over

Geef als eerste een reactie

Om reacties te kunnen geven moet u inloggen
< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen