< Terug naar overzicht

Ontslagrecht in België (1): kondigt de Copernicaanse revolutie zich aan?

Op 1 januari 2012 loopt het nieuwe ontslagrecht van stapel. De opzeggingstermijnen van vele arbeiders en bedienden zullen anders bepaald worden dan vandaag. Bovendien is dit slechts een opstap naar een nieuwe, ongetwijfeld veel grotere omwenteling die er moet aankomen voor op 8 juli 2013. Dan moet immers de harmonisatie van de statuten van arbeiders en bedienden zijn voltooid. We geven een overzicht van de huidige en de nieuwe regeling.

De huidige regeling: de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978


De ontslagregels voor arbeiders en bedienden zijn meer dan 30 jaar oud. Ze worden bepaald door de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, die een groot onderscheid maakt in de opzeggingstermijnen voor arbeiders en voor bedienden.

De opzeggingstermijn voor arbeiders


De opzeggingstermijn voor arbeiders bedraagt 28 of 56 dagen, naargelang de arbeider minder dan wel minstens 20 jaar dienst heeft op het ogenblik van zijn ontslag. Deze korte opzeggingstermijnen worden bijgesteld door de nationale cao 75 en de vele sectorale cao’s. Toch blijven de opzeggingstermijnen voor het merendeel van de arbeiders uitermate kort.

De opzeggingstermijn voor bedienden


De opzeggingstermijn voor bedienden is door de Arbeidsovereenkomstenwet niet eenduidig geregeld. Er wordt immers een onderscheid gemaakt tussen ‘lagere’ en ‘hogere’ bedienden:

  • Een ‘lagere’ bediende heeft een bruto jaarloon dat minder bedraagt dan 30.535 euro (in 2011). Zijn opzeggingstermijn is duidelijk geregeld in de wet. Bij ontslag heeft hij recht op een opzegging gelijk aan drie maanden per begonnen schijf van vijf jaar anciënniteit. De regel is duidelijk. Er ontstaat dus geen discussie over de lengte van de opzegging voor deze categorie van bedienden.


  • Anders is het voor de ‘hogere’ bedienden. De Arbeidsovereenkomstenwet beperkt zich voor de bedienden met een bruto jaarloon van minstens 30.535 euro (in 2011) tot de verplichting om hen minstens drie maanden opzegging per begonnen schijf van vijf jaar anciënniteit toe te kennen. Hoeveel de opzegging precies moet bedragen, moet tussen de partijen worden overeengekomen eens de arbeidsovereenkomst is beëindigd.
    Komen de partijen niet tot een akkoord, dan beslist de rechter over de passende opzegging. Hij houdt hierbij rekening met de kans voor de bediende om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden, rekening houdend met zijn anciënniteit, zijn leeftijd, de belangrijkheid van zijn functie en het bedrag van zijn loon.


  • Het is dit gebrek aan precieze berekeningswijze van de opzeggingstermijn voor ‘hogere’ bedienden, die aanleiding heeft gegeven – al in 1974 – tot de formule-Claeys. Op geregelde tijdstippen wordt de rechtspraak inzake opzeggingstermijnen statistisch ontleed, wat leidt tot de formule-Claeys. Deze formule laat toe om met een zekere waarschijnlijkheid de passende opzeggingstermijn te bepalen. (In een aparte tekst in deze rubriek vindt u de zopas geactualiseerde versie van de formule-Claeys.)

    De regeling vanaf 1 januari 2012: het interprofessioneel akkoord en de Wet van 12 april 2011



    Het onderscheid tussen arbeiders en bedienden


    De vraag of het onderscheid in opzeggingstermijn tussen arbeiders en bedienden geoorloofd is, werd al in 1993 voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof. Het Hof stelde dat de wetgever de bescherming van arbeiders tegen ontslag op een andere wijze had georganiseerd, onder meer door de mogelijkheid om op sectoraal niveau de opzeggingstermijnen vast te leggen. Het Hof besliste dan ook dat er geen ongeoorloofd onderscheid was tussen arbeiders en bedienden.

    Anderzijds spoorde het Hof de wetgever ertoe aan om te werken aan de harmonisatie van de statuten van arbeiders en bedienden. Maar die opdracht bleef jaren zonder gevolg. Tot de vraag of het onderscheid tussen arbeiders en bedienden geoorloofd was, in 2010 opnieuw aan het Grondwettelijk Hof werd voorgelegd.

    Het interprofessioneel akkoord 2011-2012


    De sociale partners hadden begrepen dat het de hoogste tijd was om te werken aan een eengemaakt statuut voor arbeiders en bedienden. Dit werd dan ook het centraal thema in de onderhandelingen met het oog op het interprofessioneel akkoord 2011-2012.

    Het moeizaam onderhandeld ontwerp van dat akkoord bevatte een nieuwe regeling voor de opzegging van arbeiders en bedienden, waarbij de opzeggingstermijnen heel geleidelijk naar elkaar zouden toe groeien in de komende jaren. Maar het ontwerp van interprofessioneel akkoord werd uiteindelijk niet door alle sociale partners goedgekeurd.

    De Wet van 12 april 2011 tot uitvoering van het interprofessioneel akkoord


    Omdat niet alle sociale partners hun goedkeuring gaven, nam de regering over, wat resulteerde in de Wet van 12 april 2011 tot uitvoering van het interprofessioneel akkoord. Deze wet brengt nieuwe regels voor de opzegging van arbeiders en bedienden, maar alleen indien deze werknemers in dienst getreden zijn op en na 1 januari 2012.

    De nieuwe regels inzake opzegging zijn tweeërlei: enerzijds hebben ze de bedoeling om de statuten van arbeiders en bedienden geleidelijk naar elkaar te doen groeien, anderzijds voorzien ze in een duidelijke berekeningswijze voor de opzegging van ‘hogere’ bedienden.

    De arbeiders met een arbeidsovereenkomst die is ingegaan vanaf 1 januari 2012, ontvangen bij ontslag een opzegging berekend op basis van cao 75, vermenigvuldigd met 1.15. Deze coëfficiënt is een eerste stap in de toenadering tot de opzeggingstermijnen van de bedienden. Zijn de sectorale opzeggingstermijnen hoger, dan ontvangen de arbeiders deze laatste. Daarenboven betaalt de RVA een ontslaguitkering van 1250 euro.

    Voor de bedienden brengt de nieuwe wet geen verandering in de opzeggingstermijnen voor de ‘lagere’ bedienden. Zij hebben in geval van ontslag recht op een opzegging gelijk aan drie maanden loon per begonnen schijf van vijf jaar anciënniteit.
    Voor de ‘hogere’ bedienden is de impact van de nieuwe wet groot. Voor het eerst liggen de opzeggingstermijnen vast, bepaald op basis van de anciënniteit van de bediende.

    Dat betekent dat de omvang van de opzegging geen discussie meer kan uitmaken die, wanneer de partijen niet tot een overeenkomst komen, door de rechter moet worden beslecht. Dit houdt eveneens het einde in van de behoefte aan een statistische formule om de passende opzegging te berekenen.

    De opzeggingstermijnen voor de ‘hogere’ bedienen die in dienst treden vanaf 1 januari 2012, zijn als volgt:

    Anciënniteit in de onderneming en opzeggingstermijn (in dagen)

  • Minder dan 3 jaar: 91 dagen

  • 3 jaar maar minder dan 4 jaar: 120 dagen

  • 4 jaar maar minder dan 5 jaar: 150 dagen

  • 5 jaar maar minder dan 6 jaar: 182 dagen

  • 6 jaar en meer: 30 dagen per begonnen jaar anciënniteit


  • De regeling vanaf 1 januari 2012: twee stelsels zijn van toepassing


    Vanaf 1 januari 2012 zullen twee stelsels naast elkaar bestaan: de regels voor de opzeggingstermijnen van werknemers die vóór 1 januari 2012 in dienst getreden zijn en de regels voor de opzegging van werknemers die na deze datum in dienst getreden zijn.

    Wie voor 1 januari 2012 in dienst trad, heeft bij opzegging recht op de termijnen bepaald in de huidige regeling van de arbeidsovereenkomstenwet. Voor deze werknemers is er geen sprake van harmonisatie tussen de statuten, noch van een duidelijke regel voor de bepaling van de opzegging voor ‘hogere’ bedienden. Vandaag kunnen werknemers in dienst treden die nog 40 jaar in dienst blijven van hun werkgever. Het huidige systeem zal dus nog gedurende vele jaren toepassing vinden.

    Wie vanaf 1 januari 2012 in dienst treedt, heeft bij ontslag recht op de opzeggingstermijnen bepaald in de Wet van 12 april 2011 tot uitvoering van het interprofessioneel akkoord.

    De toekomst: het arrest van het Grondwettelijk Hof van 7 juli 2011


    De Wet van 12 april 2011 tot uitvoering van het interprofessioneel akkoord leek de meest prangende zaken in het ontslagrecht opgelost te hebben: de weg naar de eenmaking van het statuut van arbeiders en bedienden was ingeslagen en er was een duidelijke berekeningswijze voor de opzeggingstermijn van ‘hogere’ bedienden.

    Het recente arrest van het Grondwettelijk Hof van 7 juli 2011 zorgt dan ook voor een aardverschuiving. Het Grondwettelijk Hof neemt geen genoegen met de zeer geleidelijke harmonisatie die de nieuwe wet voorschrijft. Al naar aanleiding van zijn arrest van 8 juli 1993 had het Grondwettelijk Hof de wetgever ertoe aangespoord om werk te maken van de harmonisatie. Het Hof is nu van mening dat de wetgever hiervoor over een voldoende lange termijn heeft beschikt. Het Hof legt aan de wetgever een duidelijke termijn op: uiterlijk op 8 juli 2013 moet de harmonisatie van de statuten van arbeiders en bedienden zijn voltooid.

    Deze uitspraak houdt op zijn zachtst gezegd een serieuze uitdaging in voor de wetgever. Het is onduidelijk hoe het Belgisch ontslagrecht er over twee jaar zal uitzien. Dat het een Copernicaanse omwenteling wordt, staat zo goed als vast.

    Bron: Claeys & Engels

    Geef als eerste een reactie

    Om reacties te kunnen geven moet u inloggen
    < Terug naar overzicht

    U zoekt, u vindt !

    HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

    Word nu lid !
    Geniet van de voordelen