< Terug naar overzicht

Doorstroom naar werk: nieuwkomers verdienen te weinig?

Van de ruim 160.000 niet-werkende personen die in 2006 een job vonden, kwam meer dan de helft in de laagste daglooncategorie terecht. Ze verdienen minder dan 80 euro bruto per dag. Nochtans zou de overgrote meerderheid meer moeten verdienen op basis van diploma en ervaring.

Het Steunpunt Werkgelegenheid en Sociale Economie (WSE) heeft een boordtabel ‘arbeidsmobiliteit’ ontwikkeld met een set van indicatoren die periodiek geactualiseerd en geëvalueerd kunnen worden. Ze kunnen evoluties in arbeidsmobiliteit op de Vlaamse arbeidsmarkt accuraat in kaart brengen.
Eén van de indicatoren is de doorstroom naar werk , die men beschouwt als een vorm van opwaartse mobiliteit. Het gaat om outsiders die de arbeidsmarkt betreden. Globaal genomen was 12 procent van de niet-werkenden op 31 december 2005 een jaar later aan het werk. Iets meer dan één op de tien niet-werkenden (werkloos of niet-beroepsactief) was dus een jaar later doorgestroomd naar een job. De interpretatie en evaluatie van het doorstroompercentage worden sterk bepaald door het soort werk waarin men terecht komt. De jobkenmerken bepalen met andere woorden de sterkte van de opwaartse mobiliteit.

Statuut


Bij de intrede in werk ging de overgrote meerderheid (91,8 procent) aan de slag als loontrekkende, slechts een minderheid (8,2 procent) werd zelfstandige.
Ongeveer de helft van de 163.685 personen die instroomden in loonarbeid, kwam in een voltijdse betrekking terecht. Eén op de drie kwam in een deeltijdse job terecht en bijna één op de vijf in een speciaal regime zoals uitzendarbeid of seizoensarbeid.
Er wordt veel vaker gestart in een job met uitzendcontract, want de 18,9 procent bij intreders daalt naar 2,8 procent in de totale populatie. De helft van de totale groep werknemers met een uitzendcontract op 31 december 2005 maakte een jaar later wel de overstap naar een reguliere job.
Bij de intrede in loonarbeid startte 52,9 procent in het statuut van arbeider, 45,5 procent kwam in een bediendestatuut terecht en 1,6 procent stroomde uitzonderlijk door naar werk in het statuut van statutair ambtenaar (normaal doorloopt men eerst een periode als contractueel ambtenaar).

Sector


De meeste personen (58,2 procent) die doorstroomden naar een loontrekkende job, kwamen terecht in de tertiaire sector (onder andere handel en diensten aan bedrijven). Dat is meer dan er gemiddeld tewerkgesteld zijn in de tertiaire sector (38,5 procent). Deze oververtegenwoordiging ligt in lijn met de vaststelling dat het een groeiend segment van de arbeidsmarkt betreft.
Ook de grote instroom in de uitzendsector stuwt het aandeel omhoog. De jobs uit de uitzendsector worden bij de tertiaire sector gerekend, hoewel het wellicht vaak om jobs in de industrie gaat.
Een klein kwart van de ‘nieuwe’ loontrekkenden kwam in de quartaire sector (onder andere publieke diensten, onderwijs en social profit) terecht. De instroom in de quartaire sector is ondervertegenwoordigd in vergelijking met de globale tewerkstelling in deze sector (35,9 procent).
De quartaire sector kent dan ook relatief stabiele loopbanen. Bovendien was in die periode de instroom, zeker bij overheid en gezondheidszorg, aan strikte diplomavereisten gekoppeld, wat de doorstroom naar werk vanuit de werkloosheid en inactiviteit moeilijk maakt. Verder is uitzendarbeid in heel wat takken van de overheidssector strikt gereguleerd, wat ook de doorstroom naar werk neerwaarts drukt.
Daarnaast werd 17,4 procent van de loontrekkenden na een periode van niet-werk tewerkgesteld in de secundaire sector (onder andere industrie en bouw), tegenover 25 procent bij de totale populatie van loontrekkenden.

Laag dagloon


Een laatste jobkenmerk is de dagloonklasse van de nieuwe job. Meer dan de helft van de ruim 160.000 niet-werkende personen die doorstroomden naar een loontrekkende job kwam in de laagste dagloonklasse terecht (52,9 procent) en verdiende minder dan 80 euro bruto per dag.
Dit is een sterke oververtegenwoordiging in vergelijking met de totale populatie werkenden in 2005. Globaal genomen verdiende slechts 21 procent van de totale populatie werkenden minder dan 80 euro bruto per dag.
Een groot deel van de instromers in werk zijn dan ook jongeren die hun eerste job starten. Slechts 5,5 procent kwam na een periode van niet-werk in de hoogste dagloonklasse terecht (125 euro of meer).

Deze mobiliteitsindicatoren gelden voor de periode 2005-2006. Sindsdien is de economische context sterk veranderd. Het WSE verwacht dat in tijden van crisis er globaal genomen minder doorstroom is van niet-werk naar werk en dat de jobkenmerken van de nieuwe job minder gunstig zijn. Met andere woorden: minder ruimte voor (sterke) opwaartse mobiliteit.
Met een volgende update van deze boordtabel arbeidsmobiliteit zal het studiecentrum hierover uitsluitsel geven.


Bron: Arbeidsmarktflits Steunpunt WSE

Geef als eerste een reactie

Om reacties te kunnen geven moet u inloggen
< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen