< Terug naar overzicht

De trage rijping van het Europees sociaal overleg

De Europese sociale partners hebben het Belgisch overlegmodel ontdekt als inspiratie. Op weg naar een interprofessioneel Europees overleg?

nr1
Wilfried Beirnaert (Unice): “Het sociale Europa aanzien als een massale overheveling van bevoegdheden naar het Europese echelon lijkt me noch realistisch, noch wenselijk.”
Wilfried Beirnaert (Unice)
Hendrik De Schrijver


Werkgevers, vakbonden en de Europese Commissie hebben een gemeenschappelijk sociaal werkprogramma voor de periode 2003-2005 opgesteld. Het bevat drie hoofdstukken: werkgelegenheid, uitbreiding van de EU en werknemersmobiliteit. Dat is het voorlopige sluitstuk in een lange (en langzame) evolutie in het sociaal overleg op Europees niveau. In een gesprek met Wilfried Beirnaert, voormalig topman van de Belgische werkgeversvereniging VBO en nu sociaal-overlegexpert van de Europese werkgeversfederatie Unice, tasten we af hoe het nu verder moet met het grensoverschrijdende overleg.

Welke sociale bevoegdheden blijven bij de lidstaten en welke verhuizen naar Europees niveau?

Wilfried Beirnaert (Unice): “De rol van de EU moet je niet overschatten, noch onderschatten. De materies waarover de EU-instanties wetten kunnen maken, zijn voorlopig beperkt en die waarover zij met een gewone meerderheid kunnen beslissen, nog beperkter. Het gaat vooral om arbeidsvoorwaarden in strikte zin, veiligheid en gezondheid van werknemers, informatie en consultatie, gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Wel heeft Europa omstandig gebruik gemaakt van deze bevoegdheden en dan vooral inzake gezondheid en veiligheid op het werk en inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Op dat vlak werd onze wetgeving vrijwel door Europa gedicteerd. Dat geldt echter niet voor harde thema’s, zoals sociale zekerheid, directe belastingen, industriële relaties en ontslagrecht. Daarover kan nog altijd alleen bij unanimiteit worden beslist. Dit komt neer op een vetorecht voor ieder land. Over lonen, staking en lock-out heeft Europa zelfs nog helemaal geen bevoegdheid.”
“In nog andere sociale domeinen kan de EU de lidstaten alleen verplichten om actieplannen op te stellen. Het gaat onder meer om werkgelegenheidsbeleid. Dat blijft een nationale bevoegdheid, in sommige landen zelfs een regionale. Ook voor alles wat de strijd tegen sociale uitsluiting en armoede aangaat, heeft Europa niet-bindende objectieven uitgewerkt. De afgesproken algemene doelstellingen inzake financierbaarheid van de pensioenen zijn hiervan een andere illustratie. Inzake immigratie en asielrecht zoekt men eveneens naar gemeenschappelijke streefdoelen en in het domein van onderwijs en vorming tracht men de lidstaten op weg te helpen naar het levenslang leren. Hetzelfde geldt voor de financiële participatie. Hier rijst de vraag of landen zich niet meer op elkaar moeten afstemmen. Multinationals met mobiele werknemers ondervinden immers hinder van verschillende fiscale en parafiscale behandelingen in vestigingslanden. Op veel vlakken is er alvast een convergentieproces bezig. Iedere Europese tekst heeft finaal ook implicaties voor de Belgische wetgeving.”


Hoe sociaal wordt Europa?

Danny Pieters, professor Sociale-Zekerheidsrecht aan de KU Leuven, volksvertegenwoordiger en plaatsvervangend lid in de Europese Conventie, hield een rondvraag bij zijn collega’s in de nationale parlementen en bij de leden van het Europees Parlement. Hij wilde hun visie leren kennen over de toekomst van de sociale zekerheid in de Europese Unie. De academicus annex politicus is ook secretaris-generaal van het Europees Instituut voor Sociale Zekerheid, een internationale, wetenschappelijke vereniging van experts op het vlak van sociale zekerheid.
Professor Pieters formuleert voorzichtig enkele voorlopige conclusies van zijn enquête: “Een eerste opvallend inzicht: de rechtsbasis voor de coördinatie van de sociale-zekerheidsstelsels van de lidstaten moet herzien worden ten gunste van alle sociaal verzekerden die zich binnen de EU verplaatsen. Ten tweede: symbolische ingrepen, zoals de geplande opname van sociale grondrechten in de Europese grondwet, kunnen een positieve impact sorteren, al is de juridische impact ervan nog erg onzeker.”
“Een open methode van coördinatie kan niet hét antwoord zijn op de prangende vragen die de spanning tussen een geïntegreerd economisch Europa en een niet-geïntegreerd sociaal Europa oproepen”, vindt Pieters. “Het is belangrijk dat op juridisch dwingende wijze gestalte kan worden gegeven aan de kernelementen van wat Europa sociaal maakt. Dat moet ook anders zijn dan bijvoorbeeld in de VS of Japan. Alleen zo zal de toetreding voor de kandidaat-lidstaten een effectieve steun inhouden voor de sociale bescherming - en dit op een ogenblik dat ze in deze landen sterk belaagd wordt door ultraliberale tendensen.”
Vraag is nu wat de eerste belangrijke stap zal zijn op weg naar een zekere integratie. Pieters: “Als ik rekening houd met wat vandaag politiek prioritair of gewoonweg mogelijk is, dan lijkt me een ruimere Europese bevoegdheid inzake de gezondheidszorg en de toegang hiertoe het meest voor de hand te liggen. Maar voor een brede meerderheid van de politieke verantwoordelijken in Europa (en ook voor mij) ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de sociale zekerheid bij de lidstaten en hun deelstaten. Daarnaast moet ook de EU effectief kunnen ingrijpen indien nodig. Dat lijkt me de weg om te komen tot een pluriform Europees sociaal model.”


Maar brengt een opgelegde sociale harmonisatie ook baat voor alle landen of regio’s?

Beirnaert: “Het gevaar bij een verplichte harmonisatie is dat één land als voorbeeld genomen wordt, terwijl dat systeem niet noodzakelijk exporteerbaar is. Neem nu het dossier over uitzendarbeid. Men ging ervan uit dat het Nederlandse systeem het beste is en daarom moet het in de andere landen maar worden toegepast. Maar dat werkt alléén in Nederland. Men gaat voorbij aan de ervaring dat uitzendarbeid in de lidstaten heel verschillend wordt ingevuld. De zwakte van de Europese wetgeving is dubbel. Primo: men moet in de Europese instellingen zodanig veel compromissen sluiten, dat men eindigt in haast onbegrijpelijke teksten. Secundo: Europa lijkt het aartsmoeilijk te vinden om de lidstaten te behandelen als volwassen landen, om zich in te leven in oplossingen die er geleidelijk gevonden zijn.”



Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV)


Oprichting: 1976
Vertegenwoordigt: 76 ledenorganisaties in 35 Europese landen, alsook 11 Europese syndicale federaties (met in totaal ruim 60 miljoen individuele leden); de drie Belgische vakbonden ACV, ABVV en ACLVB zijn lid van het EVV
Gewicht: de beleidsorganen van de EU erkennen het EVV als representatieve interprofessionele syndicale organisatie



Union of Industrial and Employer’s Confederations of Europe (Unice)


Oprichting: 1958
Vertegenwoordigt: 35 nationale industrie- en werkgeversfederaties in 27 Europese landen
Gewicht: Unice voedt het Europees debat, licht de bedrijven in over de Europese actualiteit en beïnvloedt, via haar over heel Europa verspreid netwerk van lidfederaties, de op nationaal vlak genomen beslissingen



Ondertussen maakt de vereiste van unanieme instemming ook één Europees stelsel van sociale zekerheid onmogelijk?

Beirnaert: “Ik zie geen tendens om Europa wetgevend te laten ingrijpen in de nationale sociale zekerheid. Op fiscaal vlak is er wel een trend om de indirecte belastingen in zekere mate te harmoniseren. Waarschijnlijk gebeurt dat mettertijd ook voor de vennootschapsbelasting, maar zeker niet voor de inkomstenbelastingen. Het is nu vooral belangrijk de coördinatie van de sociale-zekerheidsstelsels te verfijnen. Daarmee bedoel ik dat je van het ene land naar het andere, dus van het ene systeem naar het andere moet kunnen overstappen. Er moet duidelijkheid komen over de gevolgen op de sociale zekerheid voor een werknemer die naar een andere lidstaat gaat werken. Het harmoniseren van de sociale-zekerheidssystemen is echter niet mogelijk, omdat de stelsels te verschillend zijn.”

Bedrijven kunnen daar wel misbruik van maken en naar een lidstaat verhuizen waar de parafiscale lasten milder zijn. Dat is sneu voor de getroffen werknemers én betekent een stevige scheeftrekking van de concurrentievoorwaarden.

“Over lonen, staking en lock-out heeft Europa nog helemaal geen bevoegdheid.”

Beirnaert: “Volgens een recente VBO-enquête verhuizen de meeste bedrijven niet uit kostenoverwegingen, maar om hun producten te kunnen maken binnen de markt zelf. Lidstaten zoals Spanje, Portugal, Ierland en Griekenland hebben alvast, zij het ook met massale steun van de EU-structuurfondsen, in versneld tempo hun welvaartspeil opgetrokken. Zo is Spanje van een emigratie- naar een immigratieland van arbeidskrachten geëvolueerd. Je moet ook altijd het hele plaatje bekijken: in Spanje en Italië liggen de lonen en RSZ-bijdragen allicht lager, maar de arbeids- en ontslagwetgeving zijn er veel rigider. Het sociaal Europa zal nog lang bestaan uit 15 nationale stelsels. Daartussen moeten bruggen worden geslagen en tevens zal de druk worden opgevoerd om geen onderling tegenstrijdige beslissingen te nemen. Het sociale Europa aanzien als een massale overheveling van bevoegdheden naar het Europese echelon lijkt me noch realistisch, noch wenselijk.”


Drie fasen

De Europese sociale partners willen zich losweken van de betutteling van de Europese Commissie en hun eigen agenda bepalen. Daarbij laten ze zich inspireren door het Belgisch overlegmodel. Wilfried Beirnaert licht de drie fasen toe die het Europees sociaal overleg tot dusver gekend heeft:

Fase 1: Hertoginnendal, 1985

“In 1985 vond commissievoorzitter Jacques Delors dat het systeem van sociaal overleg, zoals dat bestond in alle lidstaten met vakbonden en werkgeversorganisaties, moest worden overgedragen naar het Europese niveau. Hij startte het overleg van Hertoginnendal met als basisidee de sociale partners op sommige strategische dossiers ook advies te laten uitbrengen. In de daaropvolgende periode werden vooral rond tewerkstelling en beroepsvorming adviezen uitgebracht, zij het zonder dwingende kracht.”

Fase 2: Maastricht, 1991

“Op de vooravond van de top van Maastricht in 1991 weten we dat het sociaal Europa meer inhoud gaat krijgen. Unice sluit dan met de vakbonden een akkoord met twee verreikende conclusies. Primo: voortaan moeten de sociale partners op een aantal materies inzake de relatie werkgever-werknemer (zoals informatie en consultatie, veiligheid en gezondheid en arbeidsvoorwaarden) verplicht worden geraadpleegd. Secundo: bij die verplichte consultatie kunnen de sociale partners aan de Europese Commissie meedelen dat zij het bewuste dossier in eigen beheer willen regelen en dat zij daarover zelf een akkoord willen afsluiten. Die constructie, waarbij de sociale partners akkoorden kunnen sluiten die bekrachtigd worden door een Europese richtlijn, doet niet toevallig nogal Belgisch aan. In ons land kennen we CAO’s die worden bekrachtigd door een Koninklijk Besluit. Twee wegen blijven nu open: ofwel sluiten we een akkoord dat wordt bekrachtigd door een Europese richtlijn, ofwel sluiten we er één dat ieder land in functie van eigen praktijken en technieken moet omzetten. Via de eerste weg krijgt het akkoord na een bepaalde termijn wetgevende kracht. Iedere lidstaat moet dit dan binnen een bepaalde termijn in een nationale wet of conventie omzetten. Voorbeelden hiervan zijn het ouderschapsverlof, de deeltijdse arbeid en contracten van bepaalde duur. Van de tweede weg, het omzetten van het akkoord volgens gangbare technieken in de lidstaten, is de consensus over telewerk een recente illustratie. Zulke vrijwillige akkoorden kunnen nu richtlijnen vervangen en op die manier willen de sociale partners verder werken.”

Fase 3: Genval, 2002

“Als sociale partners blijven we afhankelijk van de adviesvragen en consultaties van de Europese Commissie. We willen evenwel ons eigen programma vastleggen. Ziedaar het opzet van de sociale top van 28 november 2002 in Genval. De Belgische invloed is hier zeker herkenbaar. In België sluiten we een tweejaarlijks interprofessioneel akkoord af over materies die ons aanbelangen en die we onder elkaar regelen. Ook op Europees vlak moeten de sociale partners het bepalen van hun agenda niet altijd laten afhangen van de Commissie. Maar dat betekent niet dat we regeringen beletten sociale initiatieven te nemen. Ook de Belgische regering doet dat. Al maakt een interprofessioneel akkoord haar wel wat terughoudender op dat vlak. We verwachten dat ook de Europese Commissie niet meer voortvarend zal proberen dossiers naar zich toe te trekken, maar de sociale partners actieruimte zal gunnen.”



Voorlopig hoeven bedrijven zich dus maar weinig zorgen te maken over een eventuele Europese regeldrift?

Beirnaert: “Het sociale Europa weegt veel meer op het beleid van de lidstaten en de sociale partners dan op dat van de ondernemingen. Anderzijds mag je de invloed van Europa op sommige nationale wetten ook niet onderschatten. Kijk maar naar de op 10 juni 2002 aanvaarde richtlijn over minimale normen voor consultatie en overleg met werknemers. Het verlagen van de drempels voor de overlegorganen zal gevolgen hebben voor onze KMO’s. Dat leidt in België tot een vinnig debat tussen Unizo, VBO en vakbonden. Zo had ook de Europese richtlijn inzake de arbeidsduur consequenties voor onze notie vertrouwelijk personeel niet onderworpen aan arbeidsduur en voor onze regeling inzake nachtarbeid. Over thema’s zoals collectief ontslag, overdracht van ondernemingen en insolvabiliteit van bedrijven hebben vele wetten een Europese oorsprong. Sommige maatregelen wegen dus wel degelijk door op de dagelijkse bedrijfspraktijk.”


Wim Bergans (EVV): “Verder via vrijwillige akkoorden”

De meeste van de 19 punten van het werkprogramma 2003-2005 dat de Europese sociale partners hebben afgesproken, blijken seminaries of studiedagen. Nergens vind je een formele verbintenis om te onderhandelen over een nieuw kaderakkoord. Bestaat het zo vaak vernoemde sociaal Europa wel in de praktijk? We legden de vraag voor aan het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV).
Wim Bergans (woordvoerder EVV): “Belangrijk is dat we iets hebben om rond de tafel te gaan zitten. We kunnen nu vrijwillige akkoorden afsluiten, zonder op initiatieven van hogerop te moeten wachten. Zo sloten we onlangs een overeenkomst af over telewerk. Het uitgangspunt is dat telewerkers dezelfde rechten en plichten hebben als andere werknemers. Dat is een primeur: nu hebben de Europese sociale partners zélf een regelgevend kader tot stand gebracht, terwijl de EU-instanties vanop de zijlijn toekeken. De bonden en werkgevers hebben zichzelf drie jaar gegeven om in elk van de lidstaten de algemene principes in concrete maatregelen te vertalen. De volgende jaren willen we meer vrijwillige akkoorden afsluiten door noden in de lidstaten op te sporen en zo de Europese sociale dialoog een nieuwe adem geven.”


De huidige 15 lidstaten hebben ruim tien jaar nodig gehad om een werkbare sociale dialoog op te zetten. Makkelijker zal het wel niet worden, als er in 2004 plots tien landen bijkomen die in deze materie nauwelijks een traditie hebben?

Beirnaert: “Paritair sociaal overleg kennen zij nog niet, maar vanaf 2004 nemen zij daar wél aan deel. De vakbonden ginds moeten zich loswerken uit het communistisch regime, werkgeversorganisaties zien zich er geplaatst voor een evolutie van staats- naar privé- bedrijven maar dan zonder dat er al solidariteitsmechanismen zijn. Er overheerst nog een vrij groot individualisme, ons begrip sociale partners is er nog volledig in opbouw. We zullen seminaries organiseren en andere hulpmiddelen inzetten om deze landen bij het sociaal overleg te betrekken. Er zijn ook grote verschillen tussen de nieuwkomers. Slovenië heeft al een uitgebreid systeem van sociale onderhandelingen, maar Polen, Hongarije en Tsjechië hebben nog een lange weg af te leggen.”










Anne Van Lancker (sp.a): “Sociale dumping vermijden”

Anne Van Lancker, Europarlementslid voor de sp.a en officiële deelnemer aan de Conventie die de verdere toekomst van Europa moet voorbereiden, wil een stapje verder gaan dan Unice: “In de sectoren van de sociale bescherming, werkgelegenheid en openbare dienstverlening is een Europese harmonisering niet haalbaar of zelfs niet aangewezen. De systemen en regelingen zijn te verschillend en te gevoelig om op te gaan in Europese eenheidsworst. De Eurobarometer-enquête geeft echter duidelijk aan dat de inwoners van de EU de strijd tegen de werkloosheid en de aanpak van de armoede erg belangrijk vinden. Het Constitutioneel Verdrag van de EU moet op deze verwachtingen inspelen. Het grote probleem is dat de sociale doelstellingen van de EU ondergeschikt zijn aan de realisatie van de interne markt. Bij een sterk gecentraliseerd Europees monetair beleid is coördinatie van het sociaal-economisch beleid van de lidstaten evenwel een must om sociale dumping te vermijden. De interne markt laat immers ook het sociale beleid en het werkgelegenheidsbeleid niet ongemoeid. Er moet dringend in de EU een sociaal- en werkgelegenheidsbeleid komen zonder scheeftrekkingen, zodat de lidstaten elkaar niet langer vliegen blijven afvangen. Die uitdagingen dringen zich nog duidelijker op in het vooruitzicht van de EU-uitbreiding. Europa moet niet alleen iedereen kwaliteitsvolle arbeid en goede sociale zekerheid kunnen garanderen. De lidstaten moeten inzake mechanismen van sociale zekerheid ook van elkaar kunnen leren. We hebben een sociale en economische Europese regering nodig. Hoe het nu meteen verder moet? Het Europees sociaal overleg 2003-2005 zou alvast meer gericht moeten zijn op het afsluiten van akkoorden dan op seminaries. We hebben al lang aangedrongen op het onderhandelen van overeenkomsten, onder meer inzake lonen, herstructurering van bedrijven en sociale begeleidingsmaatregelen voor werknemers. We hebben een nieuwe aparte Europese werkgroep opgericht om onder meer voorstellen uit te werken ter bestrijding van de armoede en om van onze markteconomieën sociale markteconomieën te maken.”

Lees meer over

Geef als eerste een reactie

Om reacties te kunnen geven moet u inloggen
< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen