< Terug naar overzicht

CRB: concurrentievermogen zou in 2017-2018 licht verbeteren

De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) heeft zijn tussentijds Technisch Verslag voor de periode 2017-2018 bekendgemaakt. Dit verslag maakt, halfweg de IPA-periode 2017-2018, een evaluatie van de loonkostenontwikkeling in België en zijn drie buurlanden om na te gaan of het concurrentievermogen van de Belgische bedrijven zich in gunstige zin ontwikkelt.

De CRB komt tot de conclusie dat het kader voor loonstijgingen voorzien in het IPA gerespecteerd werd en de lastenverlagingen uit de taxshift niet gebruikt worden om loonsverhogingen mee te financieren, aangezien de loonkosten in 2017-2018, zonder rekening te houden met die lastenverlagingen, ongeveer gelijke tred zouden houden met die in de drie buurlanden. Ondanks al het goede werk van de voorbije jaren, zal er ook in 2018 echter nog een absolute loonkostenhandicap blijven van ongeveer 11 procent. Het werk is dus nog niet af.

Uit het Technisch Verslag blijkt in de eerste plaats dat werkgevers en werknemers zich in de sectorale en bedrijfsakkoorden goed hebben gehouden aan de bij het IPA overeengekomen reële loonstijging van 1,1 procent voor de periode 2017-2018. Zowel de NBB als het Federaal Planbureau bevestigen dat de cao-loonstijgingen in 2017 0,3 à 0,4 procent zouden bedragen en voor 2018 ligt hun verwachting op respectievelijk 0,8 en 0,7 procent.

De loondrift zou in 2017 nog relatief beperkt blijven en in 2018 volgens de Nationale Bank slechts lichtjes oplopen tot 0,2 procent. De toenemende krapte op de arbeidsmarkt vormt daarbij wel een opwaarts risico.

Loonindexering

Wat de impact van de automatische loonindexering betreft, is het vooruitzicht van het Federaal Planbureau niet veranderd ten opzichte van eind 2016 (2,9 procent in 2017-2018). De Nationale Bank ziet de impact van de indexering in heel 2017-2018 echter wel iets hoger uitkomen (3,2 procent) dan eind vorig jaar verwacht werd (2,9 procent). De inflatie blijft dus een belangrijke factor.

De stijging van de loonkosten per uur in de drie buurlanden Duitsland, Frankrijk en Nederland zou volgens de meest recente verwachtingen gemiddeld 4,5 procent bedragen. Dat ligt grosso modo in lijn met de vooruitzichten waar eind 2016 van werd uitgegaan (4,6 procent). Al bij al zou het stijgingstempo van de loonkosten in België daardoor in 2017-2018 in lijn blijven (beide +4,5 procent) met de ontwikkelingen in de drie buurlanden en dit zonder rekening te houden met de gunstige impact van de taxshift (-0,3 procent in 2017 en -0,6 procent in 2018).

Geen extra loonsverhogingen

Een tweede belangrijke vaststelling is dan ook dat de in de taxshift bepaalde verlagingen van de werkgeverslasten op arbeid niet zijn aangewend om extra loonsverhogingen toe te kennen, maar dat ze effectief zijn gebruikt om de absolute (of historische) loonkostenhandicap te doen dalen - zoals ook expliciet is voorzien in de nieuwe Wet op het Concurrentievermogen (Belgisch Staatsblad van 29 maart 2017) - en zo bijkomende jobs te creëren.

Het is dus niet toevallig dat het jaar-op-jaar groeiritme van de werkgelegenheid in de privésector (exclusief overheid, onderwijs en gezondheidszorg) in de eerste drie kwartalen van 2017 zelfs iets hoger is uitgekomen dan de economische groei in dezelfde periode (1,67 procent ten opzichte van 1,66 procent), wat hoogst uitzonderlijk is. In de 20 daaraan voorafgaande jaren (1996-2015) bedroeg de werkgelegenheidsgroei in de privésector slechts 0,67 procent per jaar bij een hogere gemiddelde reële bbp-groei (1,79 procent).

Loonkostenhandicap

De derde belangrijke vaststelling is dat de relatieve loonkostenhandicap (in vergelijking met 1996) ten opzichte van onze drie buurlanden door de combinatie van een indexsprong, een taxshift en gematigde reële loonstijgingen is teruggelopen van 5,1 procent in 2013 tot nog maar 0,6 procent in 2016 en ongeveer op dat niveau zou stabiliseren in 2017-2018, ook zonder rekening te houden met de impact van de taxshift. Wanneer daar wel rekening mee wordt gehouden, zouden de Belgische ondernemingen in 2018 ongeveer 1 procent competitiever worden dan in 1996.

Dit laatste, ten slotte, is geen reden tot gejuich of zelfgenoegzaamheid, want ook in 1996 kende ons land al een absolute concurrentiekrachthandicap van meer dan 10 procent. Die absolute handicap inzake loonkosten per uur was in 2013 opgelopen tot een molensteen van 17,3 procent en zal door de recente competitiviteitsmaatregelen op enkele jaren tijd zijn teruggebracht tot ongeveer 12 procent in 2016 en naar verwachting dus nog lichtjes verder afnemen tot ongeveer 11 procent in 2018. Een duidelijke verbetering dus, die al belangrijke positieve effecten heeft gegenereerd, maar er blijft nog een belangrijke weg te gaan als we in de toekomst op gelijke voet willen concurreren met onze buurlanden Duitsland, Nederland en Frankrijk.

Edward Roosens, hoofdeconoom van het VBO, commentarieert: “Het is belangrijk vast te stellen dat de hervormde Loonnormwet heeft gewerkt. Niet alleen zijn op basis daarvan loonakkoorden afgesloten die het concurrentievermogen van onze ondernemingen vrijwaren, maar bovendien worden de lastenverlagingen uit de taxshift gebruikt om geleidelijk aan onze absolute loonkostenhandicap af te bouwen en zo meer jobcreatie mogelijk te maken. Het werk is echter nog niet af, want het niveau van onze absolute loonkostenhandicap ligt nog steeds in de dubbele cijfers ten opzichte van de drie buurlanden. En ook de impact van de inflatie moet, gezien ons systeem van automatische loonindexering, van zeer nabij opgevolgd worden.”

Bron: VBO (vbo.be)

 

Lees meer over

Geef als eerste een reactie

Om reacties te kunnen geven moet u inloggen
< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen