< Terug naar overzicht

Arbeidsmarktcongres Steunpunt Werk en Sociale Economie “België is een te passieve welvaartsstaat”

Hoe kan de werking van de arbeidsmarkt aangescherpt worden vanuit een Vlaams, Belgisch en Europees perspectief? Dat was de kernvraag op het arbeidsmarktcongres van het Steunpunt Werk en Sociale Economie. Essentie ■ Door de ‘sluitende aanpak’ van de VDAB krijgt elke werkzoekende een passend aanbod. ■ Voor de ‘kansengroepen’ (ouderen, allochtonen, arbeidsgehandicapten en kortgeschoolden) is het streefdoel nog niet bereikt. ■ De Belgische welvaartsstaat is te weinig duurzaam en beschikt over een te gering aanpassingsvermogen. ■ Er is nood aan ‘flexicurity’: meer flexibiliteit zonder in te boeten aan sociale bescherming.

Zelfs in tijden van economische crisis moeten we elk talent blijven mobiliseren. Dat poneerde Fons Leroy, gedelegeerd bestuurder van de VDAB, tijdens het arbeidsmarktcongres georganiseerd door het Steunpunt Werk en Sociale Economie. “Al komt de economische crisis en de conjuncturele ommekeer wel ongelegen”, voegt Leroy er meteen aan toe. “De crisis was beter een tweetal jaar later gekomen. Dan hadden de kansengroepen hun plaats beter afgedwongen op de arbeidsmarkt. De voorbije jaren heeft de VDAB immers enorme inspanningen gedaan om de kansengroepen toe te leiden naar de arbeidsmarkt. De idee daarbij is dat eens iemand binnengeraakt is op de arbeidsmarkt en de kans krijgt zich te bewijzen, hij zich een plaats op de arbeidsmarkt kan afdwingen. De economische recessie gooit echter roet in het eten. Maar de machine is op gang gebracht. Het zou spijtig zijn deze nu te stoppen.”
“Het zou dom zijn van werkgevers om de diversiteit die er stilaan is, af te bouwen. Bijvoorbeeld door de pas aangeworven kansengroepen als eerste te ontslaan bij een herstructurering. Want diversiteit maakt bedrijven op lange termijn juist sterker. Door de recessie verkleint de krapte op de arbeidsmarkt misschien een beetje, maar de vergrijzing is een tijdbom die blijft tikken”, waarschuwt Leroy.
De VDAB-topman pleit dan ook voor een retentiebeleid in plaats van massale afvloeiingen. “Als de crisis niet te lang duurt, zal die veeleer een retentiereflex uitlokken. Bedrijven opteren veeleer voor tijdelijke werkloosheid dan voor ontslagen. Als crisis voorbij is, moeten bedrijven snel kunnen groeien. Als je dan niet voldoende medewerkers hebt, is de groei gehypothekeerd. Nu is het moment om te investeren in talent. Zo ben ik een grote voorstander van hoe BASF het aanpakt: het bedrijf biedt tijdelijke werklozen opleiding aan.”

‘Sluitende aanpak’

Ondertussen werkt de ‘sluitende aanpak’ van werkzoekenden. In 2004 startte de VDAB met haar activeringsbeleid. De opzet was drievoudig:
■ 1. Een sluitende aanpak, waarbij elke werkzoekende een passend aanbod krijgt binnen een gestelde termijn.
■ 2. Een oververtegenwoordiging van kansengroepen in de trajectwerking.
■ 3. Vastleggen van uitstroomnormen na het beëindigen van het traject.

“Zowel preventief (nieuw ingeschreven werkzoekenden) als curatief (langdurig werkzoekenden) is de aanpak voor honderd procent sluitend. We hebben enkele klemtonen gelegd”, zet Leroy uiteen. “Zo was er de voorbije jaren een evolutie van zuiver sluitend naar een insluitende, aansluitende en zelfs uitsluitende aanpak. De doelgroep van de niet-werkende werkzoekenden is uitgebreid naar leefloners en personen met een arbeidshandicap. Ook werkzoekende vijftigplussers worden nog mee opgenomen in de aanpak.”
“We stelden daarnaast vast dat een grote groep werkzoekenden wel werkwillig, maar niet onmiddellijk inzetbaar was, omdat ze kampten met een medische of mentale problematiek”, vult Leroy nog aan. “Die groep is eerst geëmancipeerd door de welzijnssector alvorens we ze toeleiden naar de arbeidsmarkt. In samenwerking met commerciële en niet-commerciële partners, werkgevers- en werknemersorganisaties hebben we ook kansen gecreëerd voor deze groepen. De aanpak is ook uitsluitend voor niet-werkwilligen. Tegenover rechten staan immers plichten.”

Op zoek naar maatpak

De doelstellingen voor de kansengroepen zijn niet volledig gehaald. De vier kansengroepen (ouderen, allochtonen, arbeidsgehandicapten en kortgeschoolden) zijn weliswaar oververtegenwoordigd in de trajectwerking ten opzichte van hun aandeel in de groep niet-werkende werkzoekenden, maar de aanwezigheid van allochtonen en arbeidsgehandicapten ligt nog onder het streefdoel. De objectieven voor de uitstroom uit de werkloosheid naar werk zijn voor alle kansengroepen ruimschoots bereikt.
Toch blijven de uitdagingen groot. Leroy schetst hoe de VDAB daarop vooruitloopt: “We evolueren van een meer algemene sluitende aanpak naar een sluitend maatpak. In plaats van op volume, gaan we nog meer op maat werken. We differentiëren meer op basis van het profiel en individuele kenmerken. Afhankelijk daarvan bieden we een meer of minder intensieve begeleiding.”
Er staan ook snelle interventies op stapel naar aanleiding van de recessie: “Geen enkele nieuwe werkloze mag ons ontsnappen. Daarom versterken we onze teams met Sociale Interventie Adviseurs. Zodra een bedrijf in de problemen komt, komen ze in actie. Via de acties DirecT en uitzend-DirecT vangen we werknemers op wiens tijdelijk of uitzendcontract collectief wordt opgezegd. We leggen ons tevens nog meer toe op de activering van de verborgen arbeidsreserve, zoals alleenstaande ouders en personen in andere sociale-zekerheidsstelsels. Maar wellicht de grootste uitdaging is het realiseren van een betere aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt.”

65-plussers aan de slag?

En wat met het activeren van personen in andere sociale-zekerheidsstelsels? Paul Windey, voorzitter van de Nationale Arbeidsraad (NAR), opperde het idee om een alternatieve arbeidsmarkt op te richten voor 65-plussers die na hun pensioen actief willen blijven. “Vooral in de non-profitsector kunnen deze oudere werknemers nuttig ingezet worden. Die sector kampt immers met een enorm tekort aan arbeidskrachten. Op voorwaarde echter dat deze ouderen zelf kunnen bepalen wanneer en hoeveel ze werken. Het zou dus om zeer flexibele contractvormen moeten gaan, te vergelijken met de dienstencheques of de regeling rond studentenarbeid. Bovendien is het een manier om de lage pensioenen op te krikken, zonder dat het de overheid veel geld kost.”
Fons Leroy is het idee niet ongenegen, maar wijst er wel op dat zoveel mogelijk arbeidskrachten op de reguliere arbeidsmarkt krijgen steeds het hoofddoel moet zijn. “Eens dat gerealiseerd is, kan nagegaan worden welke middelen er resten om alternatieven te financieren.”

Meer dan loonafspraken

Het huidige institutioneel model blijkt evenwel een serieuze hindernis om oudere werkzoekenden en personen in andere sociale-zekerheidsstelsels te activeren. De sociale zekerheid is immers nog steeds een federale materie. Leroy herhaalt zijn pleidooi om werk te maken van een meer eigentijds arbeids- en sociaal-zekerheidsrecht. “Het arbeidsrecht moet meer op herplaatsing gericht zijn. Opzegvergoedingen kunnen misschien beter vervangen worden door een recht op herplaatsing, betaald door de werkgever. Het komt er immers op aan alle middelen in te zetten om ervoor te zorgen dat niet alleen zoveel mogelijk niet-actieven geactiveerd worden, maar ook dat werkenden langer actief blijven. En dat lukt niet met opvattingen over sociale zekerheid die stammen van net na de Tweede Wereldoorlog.”
Windey sluit zich daarbij aan, maar nuanceert en verwijst vooral naar de sociale partners: “Het wordt dringend tijd dat de aandacht niet alleen gaat naar loonafspraken en het beperken van de loonkosten. Dat is weliswaar belangrijk, maar ook thema’s zoals het opheffen van het onderscheid tussen arbeiders en bedienden, en daarmee samenhangend een herziening van het ontslagrecht, moeten aan bod komen. En is de discussie over het invoeren van flexicurity niet nog belangrijker?”

Actieve welvaartsstaat

Ton Wilthagen, hoogleraar bij de Universiteit van Tilburg en hoofd van het beleidsgerichte onderzoeksprogramma van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA), sluit zich daarbij aan. En legt prompt de pijnpunten van de Belgische welvaartsstaat bloot: “België mag dan wel een land zijn waar het goed toeven is met goede sociale voorzieningen en een hoge productiviteit, maar er doen te weinig mensen aan mee. België is een te passieve welvaartsstaat. De Belgische welvaartsstaat is te weinig duurzaam en beschikt over een te gering aanpassingsvermogen.”
De hoogleraar pleit voor ‘flexicurity’: meer flexibiliteit zonder in te boeten aan sociale bescherming. “De Europese Unie heeft in het kader van het werkgelegenheidsbeleid en de Lissabon-agenda een beleidskader ontwikkeld voor flexicurity. Nu is het aan de lidstaten om dit op hun eigen arbeidsmarkt te vertalen. Denemarken is koploper. Ook Nederland en Duitsland zijn enkele jaren geleden deze weg ingeslagen, zij het met wisselend succes. Het wordt hoog tijd dat ook België werk maakt van meer flexibiliteit. Het vergt moed en is niet gemakkelijk, maar er is geen alternatief”, port Wilthagen aan.

Meer dan ongebreidelde flexibiliteit

Over het begrip flexicurity bestaan veel misverstanden. “Flexicurity is meer dan ongebreidelde flexibiliteit en minder ontslagrecht”, merkt Wilthagen op. Hij onderscheidt vier componenten:

■ 1. Een moderne sociale zekerheid
“Een sociaal vangnet blijft nodig, maar dat moet vooral dienen als een soort trampoline die mensen zeer snel opnieuw op de arbeidsmarkt stuurt. Op dat vlak hinkt België achterop. Er zijn wel enkele initiatieven, maar die zijn onvoldoende. De balans tussen rechten en plichten van werkzoekenden is te lang uit balans geweest, terwijl dit wel nodig is om de participatie- en werkzaamheidsgraad te verhogen”, argumenteert Wilthagen.

■ 2. Contractuele flexibiliteit
Dit betekent niet alleen een soepeler ontslagrecht, maar verwijst ook naar allerlei vormen van flexibiliteit inzake regelingen rond werktijden, tijdsparen of tijdelijke arbeidscontracten.

■ 3. Een efficiënt arbeidsmarktbeleid om een snelle transitie van niet-werken naar werken en van werken naar werken te bevorderen
Dit verwijst naar een activerend arbeidsmarktbeleid en een ‘sluitende aanpak’.

■ 4. Responsief levenslang leren
Levenslang leren moet aansluiten bij wat mensen kunnen, rekening houdend met de competenties die in de toekomst nodig zullen zijn.

“Cherry picking is niet mogelijk in dit model. Alle componenten moeten samenhangen en op elkaar afgestemd worden”, waarschuwt Wilthagen. “Door zich te richten op één component ontstaat onzekerheid. Bovendien werkt dit model ook in tijden van crisis. De combinatie van een moderne sociale zekerheid en contractuele flexibiliteit kan ervoor zorgen dat werknemers tijdelijk korter werken in plaats van ontslagen te worden. De economische werkloosheid kan dan als hefboom gebruikt worden om werknemers bij te scholen. Levenslang leren in combinatie met een actief arbeidsmarktbeleid zorgt ervoor dat werknemers die met ontslag bedreigd zijn, snel kunnen herschoold worden. Zo kan vraag en aanbod beter op elkaar afgestemd worden.”

Effect op het individu

Zowel Leroy als Windey erkent dat België nog een hele weg af te leggen heeft in flexicurity. Beide beklemtonen evengoed dat er voor een aantal thema’s al vooruitgang geboekt is. “Op het gebied van contractuele flexibiliteit is bijna alles mogelijk. Ook het herstelplan dat de vorige regering opmaakte, bevat maatregelen die onder het concept flexicurity vallen. En het activerend arbeidsmarktbeleid wordt nog strikter toegepast en binnenkort zelfs uitgebreid naar vijftigplussers. De vooruitgang op een aantal thema’s gebeurt weliswaar traag en gefragmenteerd, maar dat is vooral te wijten aan structurele moeilijkheden en de complexiteit van de maatregelen”, merkt Windey op.
Leroy noemt het cruciaal om het onderwijs te betrekken bij de hervorming van de arbeidsmarkt. “Maar flexicurity mag ook geen discussie zijn die alleen op macro-economisch niveau besproken wordt. Ook het effect ervan op het individu moet verduidelijkt worden. Zoniet is het onmogelijk om een win-winsituatie te scheppen. Voor zowel werkzoekenden als werkenden moet duidelijk worden wat deze maatregelen concreet betekenen voor hun eigen loopbaankansen.”
Terloops merkt Leroy nog op dat het activeringsbeleid en de ‘sluitende aanpak’ van de voorbije vier jaar vruchten afwerpen. “Hier en daar moeten we wel een tandje bijsteken en we zijn misschien iets te laat gestart. Maar we staan verder dan Nederland. Op korte termijn hebben we een snelle vooruitgang geboekt. We hebben natuurlijk wel ons licht opgestoken in Nederland en uit hun fouten geleerd. Anderzijds staat Nederland dan weer verder, omdat de ‘sluitende aanpak’ geen onderwerp van discussie meer is. Wat bij ons wel nog het geval is. Zodra vijftigplussers als doelgroep of tijdelijke contracten ter sprake komen, verzeilen we hier al gauw in een ideologische discussie. En dat werkt remmend. Een mentaliteitswijzing bij alle betrokkenen dringt zich op.”

Lees meer over

Geef als eerste een reactie

Om reacties te kunnen geven moet u inloggen
< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen