< Terug naar overzicht

‘Bullshit Jobs’

Auteurs:David Graeber
Uitgever:, 336 blz.
Prijs:€24,99
Jobs! Jobs! Jobs! De mantra van premier Michel, de werkgevers en de vakbonden (al heeft die voor elk van hen een andere invulling) wordt stevig onderuitgehaald in ‘Bullshit Jobs’, dat focust op onzinjobs en ervoor pleit deze te elimineren. Hoezo?

Er is weinig nieuws onder de zon. In 1930 voorspelde John Maynard Keynes dat voor het einde van de 20ste eeuw in de ‘ontwikkelde’ landen een werkweek van 15 uur economisch zou volstaan en gerealiseerd zijn. Met dank aan de spectaculaire technologische evoluties en revoluties die hij om zich heen zag. In 2018 (en al vroeger) schrijft en vertelt een nieuwe generatie vooruitgangsoptimisten gelijkaardige zaken. Met de artificiële intelligentie in de mode, geloven ook deze koffiedikkijkers dat onze nakomelingen substantieel minder tijd zullen moeten besteden aan werken.
In dit licht sluipt arbeidsduurvermindering weer in het politieke en economische debat, al is het voorlopig nog niet luidruchtig. De ideologische tegenstanders van het idee hebben een grote meerderheid op de plekken waar de macht echt uitgeoefend wordt. Werkgevers en hun verenigingen griezelen bij het idee alleen al. Wij voelen ons hier echter niet geroepen om de argumenten pro en contra arbeidsduurvermindering tegen elkaar af te wegen. Alleen maar dit: zij is er wel degelijk gekomen, maar veel trager en minder ingrijpend dan Keynes bijna 90 jaar geleden dacht. Begin 20ste eeuw telde de Belgische werkweek 60 uren (in termen van aanwezigheid op de werkplek). In 1920 werd 48 uren de norm, eerst in de metaalsector en de mijnen na stakingen, in 1921 ook volgens de wet. Op de 45 uren is het wachten tot 1964 (althans voor de wettelijke bekrachtiging van de ondertussen in de meerderheid van de sectoren toegepaste praktijk). De 38 uren kwamen er eind jaren 1970. Vandaag vergt een voltijdse baan nog ruim twee keer zoveel tijd als wat onze tussenoorlogse economist verwachtte.

Waarom werken we niet minder lang vandaag?

Hoe komt dat dan? Interessant is de stelling van David Graeber dat de technologie vooral werd (en wordt) ingezet om ons langer te laten werken. “Om dat te bereiken, moesten er banen worden geschapen die in feite zinloos zijn. Grote groepen mensen, vooral in Europa en Noord-Amerika, voeren hun hele werkzame leven lang taken uit waarvan zij heimelijk vinden dat die niet hoeven te worden uitgevoerd”, zegt hij. Er direct aan toevoegend: “De morele en psychologische schade die deze situatie aanricht, is enorm. Het is een litteken op onze collectieve ziel.”
De auteur signaleert dat in de VS tussen 1910 en 2000 het aantal mensen dat werkzaam is in productieve activiteiten (landbouw, industrie, huishouding) gezakt is tot minder dan een kwart van de beroepsbevolking. Productiegerichte beroepen zijn grotendeels weg geautomatiseerd. In de plaats kwam een gigantische toename van het aantal “professionals en medewerkers op het gebied van management, administratie, sales en dienstverlening”, tot driekwart van de beroepsbevolking.
Volgens Graeber zijn heel veel van deze niet-productiegerichte banen ‘bullshit jobs’ of onzinbanen. Hij stelt dat niet zozeer de dienstensector, maar wel de administratie (lees: de bureaucratie) uit haar voegen is gebarsten. Hij heeft het dan over bedrijfstakken en activiteiten zoals financiële dienstverlening of telemarketing, ondernemingsrecht, onderwijs- en zorgadministratie, personeelszaken (inderdaad) en public relations. Daar vooral zijn de onzinbanen te zoeken.
Graeber: “Het lijkt wel of er iemand bezig is om zinloze banen te bedenken enkel en alleen om ons aan het werk te houden. En dat is het rare van deze zaak. Dit is precies wat er in het kapitalisme niet hoort te gebeuren. Natuurlijk, in de oude inefficiënte socialistische staten als de Sovjet-Unie, waar werkgelegenheid werd gezien als een recht en een heilige plicht, verzon het systeem net zoveel banen als er nodig waren. Daarom kwamen er in de Sovjet-warenhuizen drie medewerkers aan te pas om een stuk vlees te verkopen. Maar dat is uiteraard juist het probleem dat de marktwerking hoort op te lossen. Het laatste wat een op winst gerichte onderneming zal doen, is geld uitgeven aan werknemers die ze niet echt nodig heeft. Dat is althans de economische theorie. En toch is dat op de een of andere manier precies wat er gebeurt.”

Wat is een onzinbaan?

Graeber definieert een onzinbaan als volgt: “Een vorm van betaald werk die zo volkomen zinloos, overbodig of schadelijk is, dat zelfs de werknemer het bestaan ervan niet kan rechtvaardigen, hoewel de werknemer zich, als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden, verplicht voelt om te doen alsof dit niet het geval is.”
Merk op dat het subjectieve element bepalend is: als een werknemer zelf vindt dat zijn job wel degelijk zin heeft, zal de auteur hem niet tegenspreken. De werknemer heeft altijd gelijk. “Aangezien hier sprake is van zoiets als maatschappelijke waarde, naast de kale marktwaarde, maar aangezien niemand ooit een handige manier heeft bedacht om die te meten, is de mening van de medewerker de nauwkeurigste beoordeling van de situatie”, motiveert Graeber.
Hier stoten we op een zwakte in dit boek en zijn analyse: het centrale concept van heel het werk kan niet geobjectiveerd worden. Dat is een probleem omdat hierdoor geen scherpe diagnose gemaakt kan worden hoe onzinnig jobs zijn. Toch niet op basis van Graebers opus. Intelligente en creatieve HR-verantwoordelijken kunnen voor hun eigen organisatie misschien wel instrumenten vinden voor een goede diagnose en remediëring, eventueel met de hulp van consultants. Als zij ook zelf niet een onzinbaan hebben…
Maar goed, de auteur citeert uit het ‘2016-2017 State of Enterprise Work Report’, een publicatie op basis van een enquête van de Amerikaanse consultancy Workfront (hoe valide de resultaten zijn, weten we niet). Volgens Workfront zou door Amerikaanse kantoormedewerkers volgens hun eigen rapportage in 2016 gemiddeld 39 procent van de werktijd besteed zijn aan ‘primaire taken’ en 11 procent aan ‘nuttige en/of productieve vergaderingen’. E-mails slorpen 16 procent van de tijd op (of het om zinnige of onzinnige berichten gaat, wordt niet aangegeven), ‘administratie’ 11 procent, ‘tijdsverspillende vergaderingen’ 10 procent, ‘onderbrekingen voor niet-essentiële taken’ 8 procent en ‘overige’ 5 procent.

In welke vorm dienen onzinbanen zich aan?

Wat leert Graeber hieruit? Dat de helft van de kantooruren aan onzin wordt besteed en dat de situatie verergert. En dat er gedeeltelijke onzinbanen, grotendeels onzinbanen en volkomen onzinbanen bestaan. Hij schat dat bijna 40 procent van alle jobs geheel nutteloos is en dat 50 procent van het werk in niet-nutteloze kantoren toch ook nutteloos is.
Onzinbanen zijn er in soorten. De auteur ziet er vijf:

  • ‘Wachtersbanen’ die alleen of primair bestaan omdat iemand er belangrijk wil uitzien of zich aldus voelen.
  • ‘Bullebakbanen’ bevatten een agressief element en bestaan alleen omdat anderen de professionals daarvoor aannemen.
  • ‘Oplapwerkers’ hebben hun baan uitsluitend te danken aan een hapering of fout in de organisatie. Zij lossen problemen op die niet horen te bestaan.
  • ‘Afvinkers’: hun job bestaat alleen maar omdat de organisatie kan beweren dat ze voor de vorm aan een bepaalde eis heeft voldaan.
  • • ‘Opzichtersbanen’ zijn er in twee soorten. De eerste soort doet (bijna) niets anders dan anderen opdrachten geven (terwijl dat zeer vaak niet nodig is). De tweede, schadelijker soort, bedenkt onzinbanen voor anderen.

Nog voor de volledigheid: associeer onzinbanen zeker niet in de eerste plaats bij de overheid, zij woekeren even erg en zelfs erger in de privé.

Wat kan eraan gedaan worden?

Hoe geraken wij af van onzinbanen? Dat maakt Graeber ons niet wijs. Hij staat uitvoerig stil bij de gevolgen (economisch verlies, maar ook heel veel ongelukkige werknemers), de oorsprong en oorzaken (onder meer wat hij ‘bestuurlijk feodalisme’ noemt), de ermee verbonden ideologische, maatschappelijke en politieke kwesties. Remedies heeft hij niet, beleidsadviezen geeft hij niet. “Dit is geen boek over een bepaalde oplossing. Het is een boek over een probleem waarvan veel mensen het bestaan niet erkennen”, luidt het.
Op dit punt is de auteur niet helemaal eerlijk, hij stelt wel degelijk twee oplossingen voorop. Substantiële arbeidsduurvermindering door het uitroeien van nutteloze (aspecten van) banen loopt als een rode draad door dit boek. En op het einde breekt hij een lans voor een universeel basisinkomen.
Deze zaken had hij beter moeten uitwerken, dan was dit boek nuttiger en zinvoller geweest voor discussie en actie. Hier ligt de grootste beperking en zwakte. Ander minpunt is dat Graeber te zwaar leunt op casuïstiek en anekdotiek. Dat zal te maken hebben met zijn Amerikaan-zijn, zeker? Hoewel, deze antropoloog is hoogleraar aan de London School of Economics. En actieve anarchist, maar wij wijken af.
Ondanks de tekortkomingen is ‘Bullshit Jobs’ zeer lezenswaardig, omdat het wel degelijk de vinger op een werkwonde legt, die verband houdt met van alles en nog wat, maar zeker ook met stress, burn-out en demotivatie. Zo zet het boek aan tot nadenken. Voor de actie moet u zoals gezegd elders inspiratie zoeken.

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen